Dit boek is niet zo maar een monografie, maar een kijkje in de keuken. Het is zowel een manifest, een theorieboek, als een handboek vol recepten hoe je interactieve, complexe architectuur kan maken. Internationaal gerenommeerde auteurs als Andrew Benjamin, Manuel DeLanda, Brian Massumi, Detlef Mertins en Arjen Mulder bespreken vanuit architectonische, filosofische, historische, (media) theoretische en biologische expertise het werk van Spuybroeks bureau NOX.

De inspirerende 'godfather' van al deze auteurs is de filosoof Gilles Deleuze. Als kind van de jaren zestig verafschuwt Deleuze iedere vorm totalitarisme. De menselijke geest en het lichaam mogen op geen enkele manier geterroriseerd worden door welke formele systemen dan ook. Deleuze pleit in zijn denken voor open systemen die permanent in beweging zijn. Hij zoekt naar experimenten die zonder vooropgestelde normen hun weg vinden. Iedere vorm van indoctrinatie, controle of verstomming door het cliché moet worden voorkomen. Ook de dialectische logica van progressie-door-oppositie zoals bekend van de Moderne beweging die met zijn tabula rasa gedachte het verleden uitschakelde, staat Deleuze niet aan. Lineaire processen met een definitieve en pure waarheid in het vooruitzicht moeten worden vermeden, ze leiden immers allemaal naar totalitarisme. Deleuze en zijn collega Felix Guattari zetten tegenover de dialectiek van de negatie het idee van het rizoom. Het rizoom - te vergelijken met de (niet-hiërarchische) wortelstok van bijvoorbeeld varens - heeft geen begin of einde, maar een logica die begint en beweegt vanuit het midden, door het midden, door een komen en gaan, die zich concentreert op het er-tussen en de lijn (curve) in plaats van de punt. Centraal in Deleuze's en Guattari's idee van het rizoom staat de optimistische lezing van de mens als een positief, plezier zoekende 'machine' die in staat is in iedere unieke situatie de meest positieve mogelijke verbindingen tot stand te brengen. Het is een oproep voor actieve participatie, een constant wordingsproces zonder enige vorm van disciplinering. Of in de woorden van de Sloveense cultuurcriticus Slavoj Zizek: '… the aim of Deleuze is to liberate the immanent force of Becoming from its self-enslavement to the order of Being.' De mens moet een producent van onvoorspelbare creaties zijn, vol verschillen, intensiteiten en permanente interactie terwijl het de realiteit van het virtuele van ons bestaan omarmt. Het mooie aan het NOX boek is dat deze en andere abstracte concepten vertaald worden naar de praktijk van de architectuur. Opeens wordt duidelijk hoe het denken van Deleuze en Guattari verder gedacht kan worden in structuur, materiaal en ruimtelijke activiteit. Wat dat betreft is dit boek een aanrader voor filosofen die de praktijk van het leven uit het oog verliezen. Anderzijds vormt dit boek een prachtige inleiding voor architecten in het denken van Deleuze.

In het openingsartikel legt Spuybroek uit dat het hem niet gaat om de architectuur als autonoom of statisch systeem maar om de perceptie; hoe het object zich kan herconfigureren door acties die plaatsvinden binnen de constructie. Terwijl het in de 'klassieke' architectuur gaat over formaties die als statische spiegels vooropgestelde ideeën representeren, probeert NOX te ontsnappen aan iedere totaliserende representatie door zich te concentreren op de zelforganiserende optische en haptische activiteiten die zich in een gebouw kunnen afspelen. Spuybroek maakt gebruik van inventieve concepten als Deep surface, Wetgrid, Beachness, SoftCity, Softsite om tot zijn ontwerpen te komen. Het concept Wetgrid geeft volgens mij goed aan waar het Spuybroek om gaat. Voor een opstelling van 250 schilderijen, installaties en tekeningen in Nantes (Frankrijk) ontwikkelde Spuybroek een 'kijk-machine' (Vision-machine). Niet representatie maar presentie staat centraal. In de kijkmachine wordt een droog orthogonaal grid omgevormd tot een wetgrid. Volgens Spuybroek heeft een geometrische lijn die van A naar B gaat niet genoeg structuur om een hogere complexiteit op te bouwen: als je punt A of B beweegt verandert er niet veel aan die lijn. Waar het om gaat in een wetgrid is dat je een systeem van paden ontwikkelt die als een curve gelezen kunnen worden met een veelheid aan variabele openingen. Spuybroek: 'on which one can parly return to one's footsteps, change one's mind, hestitate or forget. It is not labyrinthine, causing you to lose your way completely: no: it complicates your way, makes it multiple and negotiable.' Wat het Wetgrid realiseerde in de tentoonstelling zijn de nieuwe en onverwachte relaties die de bezoeker kan leggen tussen de schilderijen die boven, naast, of onder je verschijnen gedurende de situationistische wandeling door de perceptiemachine. Het gaat NOX niet om 'Form-finding', maar om 'Finding-Form' of in de woorden van Spuybroek: 'The arabesque order of the end result is in fact as rigid as the first gridded stage, but more intelligent because it optimizes individual necessities in a collective economy.'

 

Wetgrid

Het mag duidelijk zijn, het woord 'blob' is een veel te simpel en vaag begrip om daarmee het werk van NOX te rubriceren. Van alle blobmakers, zoals Greg Lynn, UN-Studio, Kas Oosterhuis, Maurice Nio en de vele anderen, is Spuybroek naar mijn idee de enige die daadwerkelijk experimenteert met de wijze waarop een constructie en het materiaal de ervaring van het gebruik vrij en associatief kan aansturen. Hoe de ruimte met gebruikmaking van verschillende routes, geluid, het lichaam, het oog en de perceptie tot stand komt. Veelal beperken de blobmakers zich tot de schoonheid van het autonome object. Daar zal het NOX zeker niet om te doen zijn want het onverwachte resultaat dat Finding-Form genereert ziet er qua beeld vaak niet uit. En dat is maar goed ook want anders zou de vorm vooraleer de vraag beantwoorden of het mooi of lelijk is. Voor architect Lars Spuybroek is het niet interessant om functies en comfort te reguleren, maar moet de technologie die hij gebruikt als een destabiliserende kracht richting geven aan ons verlangen naar het toevallige, een verscheidenheid aan mogelijkheden en gebeurtenissen.

Maar dan het uitgangspunt. In de verschillende kritieken op Deleuze wordt melding gemaakt van het feit dat het feest van oneindige verschillen geen bevrijding meer garandeert. Hedendaags kapitalisme heeft afscheid  genomen van totaliserende normaliseringen; digitaal-kapitalisme is zelf Deleuzian geworden. Het carnavaleske van het dagelijkse leven staat nu garant voor hoge winsten door de permanente revolutie van haar eigen orde. De 'radicaal chic' zoals die van NOX geven hier uitdrukking aan. In plaats van verschil te maken tussen wat belangrijk is en wat niet, worden we opgezadeld met een meervoudigheid aan life-styles die gelukkig en gezellig coëxisteren. In het omarmen van de meervoudigheid, en de oneindige relaties die een intelligent systeem kan opwekken - in de angst een foutieve richting te kiezen zoals destijds het modernisme, communisme en maoïsme deden - durven steeds minder ontwerpers, en ook NOX niet, een bepaald antagonisme of alternatief boven een ander te stellen. Het gevaar bestaat dat het zoeken naar verschil of het prikkelen van het onvoorspelbare verabsoluteerd wordt en de mogelijkheid tot verschil tot fetisj wordt verklaard. Het gevaar is levensgroot dat de machines die NOX bouwt niets anders bewerkstelligen dan geavanceerde entertainment juist omdat ze zich op geen enkele manier uitspreken voor of tegen iets, behalve dat ze zelforganiserend en interactief willen zijn. In de toekomst gaat het denk ik niet zozeer om machines die alleen verschil genereren, de tijd van de collage is voorbij. Het zal moeten gaan om nieuwe vormen van representatie en actie die de werkelijke verschillen die er toe doen zichtbaar en productief maken. Ik kijk dan ook uit naar de volgende experimenten van NOX waarin naar ik hoop niet alleen het Deleuzian paradigma van het verschil gevierd wordt.