Kunstenaars 'verbeelden' de wereld waarin wij leven, zij interpreteren, fileren en reproduceren haar in hun eigen beeldtaal. Op dit moment gaat hun aandacht vaak uit naar de maatschappelijke, sociale en soms ook politieke aspecten van ons bestaan. Veelvuldig gebruiken zij daarbij beelden van verstedelijking en mobiliteit. Infrastructuur, gebouwen die in dienst staan van bewegingen (metrostations, vliegvelden), vervoersmiddelen als treinen, bussen en auto's, het zijn elementen die telkens terugkeren in kunstwerken. Het gaat de kunstenaars niet zozeer om de uiterlijke vorm van deze middelen, maar meer om dat wat ze representeren: snelheid, beweging, mondialisering, maar ook vervreemding, buiten de boot vallen, achterblijven.

In de film Shoes for Europe (2002) van Pavel Brãila is te zien hoe een trein op een station aan de Moldavisch-Roemeense grens van het ene onderstel op het andere wordt overgezet. Tijdens een oponthoud van drie uur maakt het Russische model wielen plaats voor een onderstel dat past op de Roemeense en West-Europese rails. Brãila heeft zijn film illegaal bij nacht opgenomen, in het donker en schaars verlicht hangt de trein met passagiers en al in de lucht om langzaam op andere wielen te zakken.

De loodzware machinerie die in Shoes for Europe de hoofdrol speelt staat in scherp contrast met de zilver gestroomlijnde wereld van Westerse vliegvelden en metrostations die Carla Klein afbeeldt op haar naar abstractie neigende schilderijen. Schoon, snel en gepolijst, in tegenstelling tot de grauwe, roestige en trage treinen uit Oost-Europa.

Ook de installatie van Roderick Hietbrink roept de kracht en efficiency op van de hedendaagse westerse architectuur. Grote foto's van details, constructies van staal en glas, worden op de wand geprojecteerd. Gelijktijdig dreunt het geluid van staal op staal door de ruimte. Het is een imposante wereld die Hietbrink oproept, maar ook één die unheimisch is en clean.

Freek Drent en Stella van Voorst van Beest maakten in Roemenië filmportretten van bewoners van flats die gebouwd werden in de tijd van Ceausescu. Als onderdeel van zijn toekomstvisioen werd dorp na dorp afgebroken en werden de boeren ondergebracht in eenvormige bouwblokken. Flattenwijken (2001) toont een wereld die ooit zeer vooruitstrevend gedacht was, maar die allang achterhaald is. De meeste flats staan te verpauperen, andere zijn aangekocht door de bewoners die ze eigenhandig proberen op te fleuren. De blokken staan als vreemde elementen op het land dat nog niet zo lang geleden door boeren werd bewerkt.

Voor de schermen waarop de portretten worden getoond staan gekleurde plastic modellen van de flats in rijen opgesteld. Het plastic is gemaakt in een fabriek in Roemenië, Drent en Van Voorst van Beest lieten ze daar maken omdat de kwaliteit van het plastic handmatig overkomt. De kleuren zijn niet egaal maar vertonen de streperigheid van limonade die nog niet goed door de yoghurt geroerd is. Het materiaal straalt een zelfde soort vertraagde moderniteit uit als de woonblokken.

Van Juul Hondius is een serie foto's te zien waarin hij mensen toont die onderweg zijn. Zijn beeldtaal refereert aan krantenfoto's van vluchtelingen en asielzoekers die onderweg zijn naar een beter bestaan, maar vooraleerst verdwaald lijken. Tegelijkertijd hebben zijn beelden de kwaliteit van reclamefoto's, waardoor er een vervreemdende werking vanuit gaat. Zijn dit foto's van mensen op de vlucht of is het de nieuwste campagne van Benetton? De verwarring die bij de beschouwer van de foto's wordt opgeroepen is op een bijzondere manier verbonden met de verwarring van de bevoorrechte westerling die geconfronteerd wordt met de medemens van buiten Europa die hier zijn toevlucht zoekt.

In de bij de tentoonstelling verschenen publicatie vertelt schrijver Michaël Zeeman over een Pools-Litouwse grensovergang waar hij, als verwende westerling niet gewend aan wachten, onbeschaamd de VIP-rijstrook pakkend soepel langs de wachtende auto's met Litouwse nummerplaten reed. Naast hem zat een Tsjechische lifter die dit alles peentjes zwetend en toen het zonder problemen verliep, vol bewondering over zoveel lef meebeleefde. Het zijn uiteindelijk niet de fysieke grenzen die van belang zijn, die verdwijnen steeds meer, het zijn de culturele grenzen die altijd zullen blijven bestaan en die volgens Zeeman alleen maar sterker worden. 'Het begrip 'oponthoud' verandert geleidelijk aan van een feitelijk in een cultureel begrip, want alle cultuur is traag of ten minste een oefening in traagheid. (…) We registreren niet meer vanwege een rij wachtenden, een loket en een stempel in ons paspoort, dat we een grens overschrijden, we stellen het vast aan de hand van onze belevingen, op grond van onze herinneringen en onze verwarringen.' Het zijn deze culturele grenzen die de kunstenaars op de tentoonstelling 'Oponthoud' in beelden vatten.