Dat Mels Crouwel, zoon van een Amsterdamse hardcore functionalist en grafisch ontwerper en Jan Benthem, zoon van een vliegtuigbouwkundig ingenieur uit de Noordoostpolder, samen een bureau zouden beginnen, lijkt achteraf vanzelfsprekend. Toch leerden de twee Delftse bouwkundestudenten elkaar pas aan het einde van hun gelijktijdige studie kennen doordat hun afstudeermentor twee gelijkgestemde geesten zag en ze aan elkaar voorstelde. Kennelijk klikte het onmiddellijk, want de twee begonnen direct na het afstuderen een gezamenlijk eigen bureau, aanvankelijk nog met Albert Wiersma, maar die haakte na enige jaren af. Na een periode van overleven op het ontwerpen van badkamers en keukenuitbreidingen voor vrienden en familie, krijgt het bureau al snel kansen op meer: een vrijstaand woonhuis in Den Haag voor familie De Jager (opdrachtgever van een van de eerdere verbouwingen), een klein experimenteel staal en hardglaswoonhuis in Almere (de gewonnen prijsvraag De Fantasie) en enige douanegebouwtjes in opdracht van de overheid. Ook worden Benthem en Crouwel gevraagd voor een reeks kleine gebouwtjes op Schiphol, fietsenstallingen, opslagruimten; bepaald niet het soort functies waarmee architectonisch te scoren valt. Toch zijn deze bescheiden interventies aanleiding voor de staf van Schiphol om het piepjonge en piepkleine bureau in 1988 te vragen ‘mee te denken’ over de noodzakelijke grootschalige uitbreiding van Schiphol. In de ware jongensboektraditie wijst het bureau de eerdere uitbreidingsvoorstellen af en bedenkt het een geheel nieuwe opzet die in de volgende twintig jaar wordt uitgevoerd. Geen slecht track record, en dat ook nog eens gerealiseerd in een periode van crisis. De heren weten daarna ook nog een ijzersterke positie bij de vernieuwing van de grote stationsknooppunten te verwerven (Amsterdam, Rotterdam, Den haag en Utrecht) en werken aan een flink aantal culturele gebouwen. Alles bij elkaar een oeuvre waar die Delftse rakkers terecht trots op zijn.

Samen met architecten als Jan Pesman en Michiel Cohen (cepezed), Jan Brouwer, en Hubert-Jan Henket vertegenwoordigen Benthem en Crouwel de technisch-functionalistische traditie in de Nederlandse architectuur. Weliswaar was er de laatste decennia genoeg algemene waardering voor deze architecten die, wars van postmoderne frivoliteit of conceptueel hoog-van-de-toren-blazerij, vooral het plezier in het maken en het soepel laten functioneren van hun ontwerpen voorop stelden. Aan prijzen van vakgenoten en aan uitverkiezingen voor belangrijke ontwerpopgaven, geen gebrek. Maar op het netvlies van de architectuurkritiek vertegenwoordigt deze groep en het soort architectuur dat wordt voortgebracht een opmerkelijke blinde vlek. Aanleidingen zijn er genoeg. Zo zijn het opvallend genoeg vooral de technisch-functionalistische bureaus die de eerste succesvolle voorbeelden van hergebruik realiseren ver voordat het op de agenda van de kritiek kwam. Dat geldt voor cepezed, waarvan zo langzamerhand de helft van de opdrachten over hergebruik gaan, maar ook voor Benthem en Crouwel. Een van de eerste wapenfeiten van het bureau betreft de opmerkelijk conceptuele prijsvraaginzending voor de uitbreiding van Berlage’s raadhuis in Usquert en een van de gaafste verbouwingen van een oude fabriekshal is het museum voor hedendaagse kunst De Pont in Tilburg. Een tweede aanleiding om het werk van Benthem Crouwel in een breder kader te plaatsen is natuurlijk hun expertise in het ontrafelen van complexe, infrastructurele opgaven. Het is een genot om te horen hoe Jan Benthem tijdens een recente lezing in het NAi in een uurtje maar liefst drie van dergelijke knopen (Schiphol, CS Amsterdam en CS Rotterdam) met het grootste gemak tot een door iedereen als vanzelfsprekend te begrijpen (en dus te omarmen) oplossing brengt. Wie op zoek is naar tegenargumenten voor het voortdurende geklaag van architecten dat ‘de opgave’ tegenwoordig te complex is om tot eenvoudige, werkende oplossingen te komen, vindt deze volop in het oeuvre van Benthem en Crouwel. Het ‘accommoderen van de chaos’, zoals Jan Benthem het noemde, is door het bieden van logistieke en ruimtelijke helderheid een tegengestelde strategie aan het meer gebruikelijke zoeken naar ruimtelijke complexiteit voor complexe programma’s.

Er valt dus genoeg te theoretiseren over het werk van architecten als Benthem en Crouwel. Van de architecten zelf moeten we dat echter niet verwachten. Ook niet in het door Dirk Laucke vormgegeven jubileumboek BCAD dat onlangs door ‘huisuitgever’ 010 werd gepubliceerd. Dat is vooral een feestboek, en waarom ook niet. Het is een dikke catalogus met vrijwel alle projecten, ook de kleinere, minder bekende. Meer dan 500 volle pagina’s bouwplezier, gelardeerd met een aantal extra bijdragen. Erg mooi is in dat verband de fotoserie Madurodam van Edwin Zwakman die ontwerpen van Benthem en Crouwel die in Madurodam staan in beeld heeft gebracht. Van een ontroerende fragiliteit zijn de foto’s van Johannes Schartz van in elkaar gestorte modelletjes tegen dramatische zonsondergangachtergronden. Hilarisch, maar ook getuigend van een mentaliteit die in staat is een eenmaal gekozen oplossing die werkt decennialang te blijven volhouden, en misschien ook een teken van vriendschap voorbij louter collegialiteit, is de bijdrage BC Auto.  Vanaf het begin van hun loopbaan kopen Benthem en Crouwel op hetzelfde moment dezelfde auto met aansluitende nummerborden. Zo is het welvaren van het bureau te volgen aan de hand van de opeenvolgende auto’s. Van twee keer een witte Fiat Panda naar Fiat Uno, Golf GTi, Range Rover tot de huidige zilvergrijze Porsche Carrera S. Dat jongensachtige zit ook in de manier waarop de heren hun eigen woonsituatie creëren. Vooral Jan Benthem lijkt het veredeld kamperen met zijn gezin nog steeds te als meest ideale woonsituatie te huldigen; van de minimale glazen doos in Almere, naar de verbouwde garage in Amsterdam waar het gezin tussen de opgepoetste oldtimers woonde, tot een recente verhuizing naar een zelfgebouwde woonboot in IJburg. Het is allemaal van een ontwapenende eenvoud, die heel wat gemakkelijker is te preken dan te praktiseren.

Een lekker boek dus en met aandacht gemaakt en vormgegeven. Er valt ook wel wat op aan te merken. De irritante keuze voor een alfabetische volgorde van de projecten bijvoorbeeld, en dat voor een boek dat AD in de titel voert; een typisch geval van verhogen van de chaos zonder enig inhoudelijk doel of functie, iets wat de architecten in hun gebouwde werk juist nooit zouden doen. Of de merkwaardige keuze om de pagina’s van alle Schipholprojecten, inclusief de foto’s, te overgieten met een pisgele inktkleur. Hier vindt de vormgever zijn bijdrage opeens heel wat belangrijker dan die van de fotograaf (grotendeels van vaste fotograaf Jannes Linders). Maar dat zijn toch uitzonderingen.
Geen theorie weliswaar, maar die moeten we wellicht tussen de regels door lezen en vooral  zoeken in het maakplezier dat zo duidelijk aan dit boek en het oeuvre ten grondslag ligt.