Voordat Rianne Makkink zelf het woord neemt nodigt zij haar vriendin de zangeres Plattèl uit een tweetal nummers van Rotterdamse schrijfster Anna Blaman ten gehore te brengen. ‘Droomkoningin’ en ‘Stadsrand’ gaan kort gezegd over onbevangen creëren en over onvermijdelijke tegenstellingen. Makkink is architect en werkt sinds 2002 samen met vormgever Jurgen Bey. Ze voert ons aan de hand van hun reizen door het werk van de studio. Partner Bey en zij hebben elkaar tijdens een reis door India leren kennen. “Ik heb het reizen nodig, als ik reis voor mijn werk ben ik ontvankelijker voor de wereld en voor anderen. Anderen zijn ook ontvankelijker voor jou, je spreekt over en dus door het werk.” Op deze manier werkt de studio samen met lokale bevolking en instanties. Met name het dagelijks leven in India heeft het duo geïnspireerd, deze rode draad komt op meerdere punten in de lezing terug.

We zien op een foto een verlaten vlak landschap met een enorme toren. Het blijkt de toren te zijn van een baksteenfabriek die een groot deel van de omgeving bedient. “Voor deze mensen bestaat het leven uit de klei die er voorhanden is”, vertelt Makkink. ‘Alles is ervan gemaakt: het landschap, de huizen, de fabriek. Alles is terug te voeren tot een basis: de klei en de mal.’ Ook de ambulante handel op straat in India fascineert haar. “Vanuit een soort kast verkopen mensen hun waar. Niet legaal, maar wel gedoogd met de schijn van tijdelijkheid door de mobiele uitvoering. Je kunt je handel zo inklappen en wegrijden.” Deze voorbeelden illustreren hoe Makkink naar de wereld kijkt.
Zo ging het ook met de vanzelfsprekende aanwezigheid van stof. Stof is overal en wordt de hele dag opgeveegd, we zien het als afval, maar kan het ook een materiaal zijn? Uit die alledaagse verwondering vloeide een product als de tijdelijke vacuümstoel voort. Of neem schoonmaken, dat gebeurt continu over de hele wereld. Met lokale vakmensen in China is een project opgezet om de schoonheid ervan te onderzoeken. De attributen van het schoonmaken - bezems, kasten, emmers, maar ook grote Chinese vazen waarin je een bad kunt nemen om jezelf schoon te maken - zijn uitgevoerd in kwetsbaar porselein in plaats van louter functioneel materiaal.

Studio Makkink & Bey is gestart in een groot pand in Rotterdam, waar zij antikraak zaten. Een grote lege hal die tegelijkertijd als werkplaats, opslagplaats en tentoonstellingsruimte dienst doet. Een overdekt stadserf noemt Makkink het. “Je hebt letterlijk alles om je heen. Werk dat in ontwikkeling is staat tegenover gerealiseerd werk of een object van de rommelmarkt. Dit zorgt voor interactie en is voor ons een voorwaarde geworden om dingen te kunnen maken.” De grote werkhal is aanleiding geweest tot het nadenken over werkomgevingen. Het werken gaat er 24 uur per dag door, werk en privé lopen door elkaar. In de winter was de hal koud en werden er met dik doorzichtig plastic afbakeningen in de ruimte gemaakt die verwarmd konden worden; als doorzichtige cocons. Bey ontwikkelt hier zijn bureau met houten kist, die als een soort cabine werkt, waardoor je je kunt afsluiten en focussen - letterlijk en figuurlijk door het ingekaderde uitzicht. Ook de bekende Ear-chair gaat over het creëren van een afgeschermde plek in een grotere ruimte en is een moderne vertaling van een historisch stoeltype. Op grotere schaal denkt het duo na over de inrichting van toekomstige kantoorruimtes als een casco met open ruimtes waarin men zijn eigen mobiele kantooreenheid (tijdelijk) parkeert.

Naast een atelier en werkruimte in Rotterdam heeft Studio Makkink & Bey een tweede atelier in een voormalige boerenschuur van schokbeton, op een boerenerf in de Noordoostpolder. Hier werkt de studio niet alleen. Op regelmatige basis worden jonge, net afgestudeerde kunstenaars uitgenodigd om een periode in dit atelier te werken. Zo maakte Atelier NL er als ‘artist in residence’ hun veelomvattende polderproject. Van alle landbouwkavels in de Noordoostpolder werd een emmer klei meegenomen en beschreven welke landbouwproductie er plaatsvindt. Afhankelijk van de grondstoffen heeft ieder kleimonster een eigen kleur. De klei is onder meer verwerkt in een polderservies. Het meest unieke aan dit project zijn echter niet de fysieke objecten, maar de sociale binding die het opleverde. De boeren zijn persoonlijk geportretteerd en ter afsluiting is met alle betrokkenen een groot diner in de buitenlucht gehouden, uiteraard met door henzelf geproduceerde producten. Dit en ander werk van jonge kunstenaars was onlangs te zien op de tentoonstelling NIJVERheden, de evolutie van ambachten in het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen. Als gastcurator confronteerde Studio Makkink & Bey het nieuwe werk met de bestaande collectie van het museum, en vice versa. Makkink beschouwt het verleden niet nostalgisch, maar als iets om van te leren.

Ondanks het vele werk dat ze toont laat de persoon Rianne Makkink zich niet makkelijk typeren. Aan haar werkwijze te zien dat zij architect is. Makkink gaat uit van het bestaande en zoekt in haar omgeving naar een aanleiding. Tegelijkertijd is zij geïnteresseerd in mensen, hun gedrag en interactie. Rode draad in haar werk is volgens eigen zeggen: “Het plezier dat je kunt beleven aan het maken van dingen”. Is onbevangenheid dan misschien een juiste typering? Het werk van Studio Makkink & Bey bestaat veelal uit assemblages en vervormingen van bestaande objecten. “Daardoor oogt het soms wat makkelijk, alsof het niet meer inhoudt dan een grap”, merkt Jort den Hollander op vanuit de zaal. Kloos maakt de vergelijking met de ‘readymades’ van Marcel Duchamps, waarmee de discussie de richting van ‘wanneer is iets kunst’ op gaat. Maar moet het werk van Makkink wel gezien worden als kunst, of is het productontwerp? Kloos en Den Hollander lijken een kritische ontwerphouding of reflectie op de maatschappij te missen. Is die kritiek relevant, of is het plezier van het maken - en niet meer dan dat - belangrijk genoeg?