Het Floriadeterrein in Venlo is een enorme ‘tuin’ met bossen en lange wandelpaden. Eén dag is te weinig om alles te bezoeken; de ‘World Show Stage’, de ‘Green Engine’, ‘Education & Innovation’, ‘Environment’ en ‘Relax & Heal’. De Floriade stelt alles in het werk voor een goed en groen imago. Het evenement richt zich voornamelijk op 'het grote publiek'. In plaats van hen fatsoenlijk voor te lichten, nemen de organisatoren zeker bij niet direct met flora verwante zaken een loopje met de feiten. Zo wordt het label innovatief vaak geplakt op al lang en breed bekende ontwikkelingen. De website van de Floriade ronkt dat er is gewerkt volgens Cradle to Cradle. Vervolgens staat er dat men zoveel mogelijk doet, wat gelezen moet worden als dat Cradle to Cradle niet wordt gehaald. Waarom zou je het publiek ook vermoeien met de werkelijkheid, dat zit het succesverhaal over onze kenniseconomie alleen maar in de weg. Producten op de Floriade blijven bij C2C in een tussenstadium; zo gebruiken partijen objecten na de expositie bij hun nieuwe onderkomen en wordt het terrein na de tentoonstelling een bedrijvenpark. Een dergelijk hergebruik is verre van nieuw.

Onder het mom van publieksvriendelijk waant men zich met een zekere regelmaat op de Efteling. Zoals de boomhut in Villa Flora. Arrangeur-ontwerper Marcel van Dijk prees het als ‘natuurlijk’ design. De natuurlijkheid zit in de gebogen meanderende houten vormen. Hetzelfde idioom tref je ook aan in de tropische kas van de Centerparks-ontwerper Jean Henkes of bij de sauna van Werner Hendriks in de Relax & Heal omgeving. Kennelijk vertegenwoordigt dit ‘design’ een breed gedeelde visie op natuurlijke tuinarchitectuur.

Dan zijn de Innovatoren van Jo Coenen en Villa Flora van Jón Kristinsson een verademing. Het duurzame kantoorgebouw van Coenen is het landmark van de Floriade. De poortvorm is echter alleen symbolisch en dichtgezet met kantoren. De bezoekers stromen voorbij de poort onder de golvende luifel het terrein op. Kantoorkas Villa Flora weert de zon, ook bij het enorme glasdak, aan de binnenzijde van de gebouwschil. Dit moet op de snikhete dag hebben bijgedragen aan de paradoxale situatie dat het gebouw, dat zo nadrukkelijk rekening houdt met het broeikaseffect, zelf een broeikas was. De vergelijking met de gedreven wereldverbeteraar die ondertussen zijn eigen gezin en omgeving veronachtzaamt drong zich op. Op de eerste verdieping van de expositieruimte was de temperatuur te hoog om er behaaglijk te verblijven. Bij de kantoorkas versterken beide onderdelen, kas en kantoor, elkaar; de kas oogst warmte voor het kantoor en het kantoorafval is o.a. via vergisting voedsel voor de kas. De parabolische dakschalen zouden via spiegels zonnestraling centreren maar van deze techniek werd, door het lage rendement afgezien, zodat een symbolische tooi rest.
Een beter binnenklimaat - ondanks het ontbreken van buitenzonwering - kende het houten Rijkspaviljoen van ontwerpbureau 2D3D. Verantwoordelijk daarvoor zijn onder andere het kleiner glasoppervlak, het deels onder de grond liggen van het rugbybalvormige volume van 35x15x15m en de opgestelde Smart Skin. Smart Skin is een dunne wand van polycarbonaat met een watervoerende leiding. Bij hoge tempraturen vangt deze wand warmte af naar de bodem. Terwijl deze warmte in koudere periodes de wand verwarmt. Het is de lang verwachte eerste praktische toepassing van het product.

Het beste klimaat kenden de met aarde bedekte gebouwen. Het paviljoen van architect Eduard Böhtlingk ligt onder een dun en lichtdoorlatend laagje aarde om het productassortiment van BVB-substrates te illustreren. Ook onder de trappen in een tuin rest ruimte om te verblijven. Het paviljoen van Clevis-Kleinjans architecten toont dat. Het paviljoen huisvest het opleidingsinstituut GOA, een samenwerking van hoveniers-, groenvoorzienings- en boomteeltbedrijven. De architecten zochten in het vormgevend principe aansluiting bij de branche; de schop in de aarde duwt de aarde op en zorgt voor ruimte daaronder.

Bezoek de Floriade niet alleen voor de architectuur. Dan kun je je alsnog door architectuur laten verrassen, zoals door de roestige omgebouwde zeecontainer in de Easy Prairie Garden. Voor dit paviljoen tekende geen ontwerper. De eigenaar van kwekerij Lageschaar vertelde trots dat het ontwerp was ontstaan, gegroeid, zoals een tuin doet. Hij was zich er vast niet bewust van dat hij hip ontwerpersjargon gebruikte.