Om Le Jardin de la Bière aan te leggen benader ik hoveniersbedrijf De Groene Vingers. Ik werkte eerder met hen samen en dat beviel goed. Eind februari rijden we met twee volle bussen en een aanhanger naar Chaumont-sur-Loire. Behalve het hout, dat we afnemen van lokale leveranciers, slepen we alles wat we maar nodig kunnen hebben mee. Liever iets teveel mee, dan 650 kilometer van de werkplaats er achter komen dat we een schroefje te weinig hebben meegenomen.
De aanleg van de tuin gaat vlot en na drie dagen zijn we een heel eind. Het is net een archeologische expeditie. Bij elke spade die we de grond in steken komt een fossiel van een voorgaand festival boven; blauwe kiezels, terracotta tegels, grote keien, lappen stof. Ook de werf staat vol. Huifkarren, beschilderde tractoren en brokken natuursteen vormen samen een collage van twintig jaar festivals.

Twee keer per dag komt de tuinbaas langs om te kijken hoe het werk vordert en om welkome of minder welkome tips te geven. ‘Het Franse publiek is als een kudde geiten’ waarschuwt hij mij en benadrukt toch vooral de plantvakken goed af te zetten. Na acht dagen werk is de tuin in hoofdlijnen gereed. De paden liggen klaar, de vijver is gegraven en de vijf meter hoge palen staan in de grond. De gerst en de hop moeten de tuin nu doen leven.
De ontwikkeling, de rijping en de oogst van de beplanting zijn een wezenlijk onderdeel van het ontwerp en met de groei van de planten verandert de beleving van de tuin. Met deze afhankelijkheid van slechts twee soorten neem ik een risico; als deze niet aanslaan, is het gelijk helemaal mis. En zo ver van huis is dit lastig te controleren. Tot twee keer toe slaat het gerstzaad niet aan en uiteindelijk ga ik, drie dagen voor de opening, terug naar Chaumont-sur-Loire om zeshonderd gerstplantjes met de hand in de grond te zetten.

Als ik aankom is het iedere keer spannend. Hoe zou de gerst eruitzien? Is de hop tot boven gegroeid? Het liefst zou ik elke dag gaan kijken. Vanwege de afstand moet ik vertrouwen op de hoveniers van het festival. Zij onderhouden de tuin zo goed als ze kunnen.
Eind juni was ik voor het laatst in Chaumont-sur-Loire. Nog niet eerder zag ik zoveel mensen in een tuin van mij. De reacties van de bezoekers die ik spreek zijn overwegend goed: très beau, très calme, très zen. De bezoekers zelf gedragen zich soms als de kudde geiten waar de tuinbaas me voor waarschuwde: vol Franse bravoure sjorren ze aan de draden, breken de aren van de gerst, duwen tegen de palen, rapen de knikkers van de vijverbodem en proberen de vastgelijmde deksel van de pot gist los te wrikken.  

Een festivaltuin is een wonderlijk soort tuin. Hij zit niet aan een huis vast, heeft geen duidelijke eigenaar, hij is niet geschikt om langdurig in te verblijven of om in te werken en is – weliswaar tegen betaling - voor iedereen toegankelijk. Maar voor mij als ontwerper voelt het als mijn eigen achtertuin.
Deelname aan een tuinenfestival was nieuw voor mij en heeft me meer geluk gebracht en tijd gekost dan ik voor mogelijk hield. Ik raad iedereen aan mee te dingen naar een plek op het festival; de locatie is prachtig, het verblijf op het kasteeldomein is een unieke ervaring en meer dan 300.000 mensen bezoeken je tuin. Het eerste plezier van ontwerpen en geselecteerd worden werd tijdens het proces wat getemperd door stroeve communicatie en gedoe rondom niet aanslaande beplanting. Bovenal speelde de afstand me parten. Het is op zeven uur rijden waardoor ieder kort bezoek of overleg de nodige planning vergt.
Over een aantal dagen ga ik voor de laatste keer naar mijn tuin. Half oktober wordt hij afgebroken om volgend jaar weer plaats te maken voor 26 nieuwe festivaltuinen.