LEZING VOOR HET CONGRES “ARCHITECTUUR 2.0” Rotterdam, 9 november 2007 EERSTE POSITIE: HET OPGEREKTE VAK Laat ik beginnen met een anekdote. Een paar jaar geleden was ik uitgenodigd voor een jury van studentenwerk op Columbia University in New York. Het werd een hallucinante ervaring. Het motto van het semester was “de papierloze studio”. De vaardigheid om vooral niét de verschillende architectonische media te kunnen hanteren, werd voorgesteld als het hoogste doel in de architectuur. Ik werd ondergedompeld in een newspeak tussen professoren en studenten. Het was niet alleen onmogelijk om het debat te begrijpen of te volgen; het was onmogelijk gemeenschappelijke woorden te vinden om met elkaar te kunnen spreken over architectuur. Geen enkele van de termen die onze 5000 jaar oude professie beschrijven kon ik gebruiken om met de professoren te discussiëren of het werk van de studenten te bekritiseren. Halverwege de jury ben ik uitgeput opgestapt. Alleen een flink aantal biertjes op Amsterdam Avenue konden helpen om deze ervaring te verwerken. De afgelopen twee decennia zijn uniek in de geschiedenis van de mensheid: in de laatste twintig jaar is een groter volume gebouwen op aarde neergezet dan in de volledige vijfduizend jaar daarvoor. En naar alle waarschijnlijkheid zal in de komende twintig jaar een nóg groter volume van gebouwen opgetrokken worden dan in die afgelopen twintig jaar. Het is daarom merkwaardig dat in de geschiedenis van de architectuur nooit eerder zo weinig gezegd is door architecten over hoe ze gebouwen ontwerpen en bouwen. Het hedendaagse debat heeft zich verplaatst naar zaken die zich buiten de architectuur afspelen, of ten minste zaken die buiten de invloedssfeer van de architect liggen. Het is een aardige kunstgreep om de definitie van architectuur steeds verder op te rekken, zodat het over alles kan gaan. Dat stelt je in staat om over alles mee te kunnen praten. Maar als je de definitie van een vak te ver oprekt, dan dreig je in je eigen kuil te vallen van een vak dat nergens meer over gaat. Een van de stellingen van Ole Bouman voor dit congres is dat in het veld allerlei nieuwe krachten inwerken op het werk van de architect en daardoor zijn positie verandert is. Ik zou eerder de stelling innemen dat de architect zelf zijn positie verandert, doordat hij buiten zijn krachtveld is gaan bewegen. De gebouwde omgeving lijkt in het hedendaagse debat steeds meer een natuurverschijnsel te zijn dat ons overkomt, maar waar we als architecten geen deel aan hebben. Termen als generische architectuur suggereren dat bouwwerken niet door architecten getekend worden, maar als vanzelf uit het oppervlak van de aarde groeien. Het debat is daardoor verengt tot het beschrijven van verschijnselen, in plaats van het kritisch analyseren van onze eigen daden. De architect lijkt zich te bevinden in een parallel universum. Toch zijn het geen buitenaardse wezens die onze gebouwde omgeving verzinnen, maar onze eigen collega’s, onze eigen studenten, onze eigen oud-medewerkers. Of misschien wel wij zelf. Architecten lijken het idioom van hun eigen vak niet meer te willen hanteren. Misschien willen ze diep in hun hart liever geen onderdeel zijn van dat oude, trage vak en verlangen ze naar een sneller bestaan als computerwizzard, trendwatcher of rockstar. Beroepen waarin men gevierd wordt als 27-jarige, in plaats van als 72-jarige, wat de natuurlijke leeftijd is van een gerespecteerde architect op de piek van zijn roem. Sommige architecten doen alsof zij journalist zijn. Zij tonen ons stapels kiekjes van allerlei plekken op de wereld en pretenderen daaruit architectuur te deduceren. Het lijkt me dat architecten matige journalisten zijn. Zij esthetiseren gevonden situaties, zonder een positie in te nemen. Een goede journalist moet registreren, zonder zelf aan de actie deel te nemen, zelfs als hij midden in een oorlogszone zit. Maar een goede architect kan niet wegkomen met pure registratie alleen. Hij moet aan de actie deelnemen. Na de analyse moet hij zijn kennis inzetten om problemen op te lossen, zijn kunde gebruiken om situaties te verbeteren, zijn evocatieve kracht inzetten om nieuwe wegen te tonen. Sommige architecten doen alsof ze wetenschappers zijn. Ze tonen ons stapels statistieken en pretenderen daaruit architectuur te destilleren. Het lijkt me dat architecten matige wetenschappers zijn. Ze gebruiken de data als een rookgordijn voor hun echte intenties. Een goede wetenschapper volgt strikte protocollen bij het verzamelen van data, zonder vooraf de conclusie al te kennen. Een goede architect kan niet wegkomen met het opsommen van data alleen. Hij moet zijn kennis gebruiken om situaties te analyseren, zijn kunde gebruiken om nieuwe gebouwen te ontwikkelen, zijn evocatieve kracht inzetten om nieuwe wegen te tonen. Sommige architecten doen alsof ze computer wizzards zijn. Ze laten ons geloven dat hun computers architectuur maken. Het lijkt me dat architecten matige wizz-kids zijn. Het is een raadsel waarom hun computers altijd curves genereren, en nooit eens een negentig graden hoek. Misschien is het toch niet de software, maar gewoon de architect zelf die dat graag wil. Een goede architect verschuilt zich niet achter een computer. Hij moet zijn kennis gebruiken om situaties te analyseren, zijn kunde gebruiken om ontwerpen te ontwikkelen, zijn evocatieve kracht inzetten om nieuwe wegen te tonen. TWEEDE POSITIE: EEN DOOFSTOMME PROFESSIE Een anecdote. Eind jaren negentig gaf ik les in Harvard. Het thema van mijn studio was “Decorative Patterns in Architecture”. In die tijd kon je op de meest uiteenlopende plekken in de wereld decoratie en ornament weer in de architectuur zien verschijnen. Zelfs op de gevels van serieuze Zwitserse architecten prijkten plots bloemen en engelen. Tegelijkertijd leek er helemaal geen vocabulaire beschikbaar te zijn om hierover met collega’s te spreken. Het verbaasde me wat een taboe het was om over zoiets basaals als decoratieve patronen te praten. Het was als sex in de jaren vijftig: iedereen deed het, maar niemand sprak erover. Er bestonden geen woorden om deze simpele architectonische daad te beschrijven. In het begin van het semester was het lastig om met de studenten over dit eenvoudige architectonische thema te spreken. Maar bij de eindbeoordeling werd het een Pinksterachtige bijeenkomst waar de studenten in vrolijke tongen spraken over het onderwerp. Ze hadden zelfs voor de gelegenheid hun zwarte T-shirts vervangen door gebloemde hemden, als een teken van hun nieuwe plezier in het vak. Het contemporaine debat in de architectuur wordt gehinderd door een gebrek aan vertrouwen in het eigen vakgebied en haar eigen mogelijkheden. Een serieuze vakinhoudelijke taal en gemeenschappelijke basis om de zin van ontwerpen te bespreken is verdampt in retorica en slogans die slechts verhullen en geen mogelijkheid meer bieden om op een open en kwetsbare manier te discussieren over ons werk. De titel van dit symposium, “Architectuur 2.0” is hiervan een uitstekende illustratie: kennelijk is architectuur een soort slechte software, die je om de zoveel tijd moet upgraden. Een gemeenschappelijke taal die uit de architectuur zelf komt is vervangen door geleende termen uit andere vakgebieden, die nooit bedoeld waren om fenomenen in de architectuur beschrijven. Woorden als “fluid”, “sexy” of “virtual” zijn zinloos om architectuur te beschrijven. Gebouwen vloeien niet, gebouwen hebben geen geslacht, gebouwen kunnen per definitie niet virtueel zijn. Al een eeuw lang hebben architecten hun eigen vak steeds weer verloochend, als autistische Sint-Pieters die de luid kraaiende haan van het publieke misprijzen niet horen. Koortsachtig zoeken ze naar het nieuwe en het originele buiten de architectuur, in plaats van er binnen. In het begin van de twintigste eeuw spraken architecten over “machines à habiter” en trachtten zij gebouwen te maken die op boten, vliegtuigen of auto’s leken. Alsof gebouwen op wilskracht zouden vliegen, varen of rijden. Aan het eind van de twintigste eeuw spraken architecten over “rhizomen”, “parasieten” of “virussen” als zij hun gebouwen bedoelden. Alsof gebouwen op wilskracht zouden groeien, zich verspreiden of vermeerderen. Dames en Heren, gebouwen zijn zware, lompe objecten die inert op het oppervlak van de aarde staan en gehoorzamen aan de wetten van de zwaartekracht. Dat deden ze de laatste vijfduizend jaar, dat deden ze de afgelopen twintig jaar, en dat zullen ze ook de volgende twintig jaar nog blijven doen. In ieder vak is het gebrek aan een gezamenlijke taal een ernstig probleem. Dat geldt ook voor de architectuur. Als iedereen steeds weer nieuwe termen lanceert, of termen gebruikt die geen betekenis hebben binnen de architectuur, als we geen gemeenschappelijke taal hebben om over architectuur te spreken, dan wordt het onmogelijk om met elkaar over het vak te spreken. Als het onmogelijk wordt om met elkaar over het vak te spreken, dan wordt het onmogelijk om elkanders werk te bekritiseren. En als het onmogelijk wordt elkanders werk te bekritiseren, dan sterft uiteindelijk ons vak. Het sterft, want als je niet over het vak kan praten, kan je ook geen oordelen geven. Als je geen oordelen kan geven, dan kan alles. En als alles kan, dan is het geen vak meer. DERDE POSITIE: EEN VAK VAN KENNIS, KUNDE EN EVOCATIE Nog een anekdote. Onlangs bespraken we in ons bureau een project waarin we een spiraal als hoofdvorm wilden toepassen. We legden twee jonge medewerkers de wiskundige principes van een spiraal uit. We suggereerden hen Boromini eens te bekijken als een referentie voor spiralen. Na de lunch meldde de eerste medewerker opnieuw bij ons. Sip kijkend vertelde ze ons dat we zo’n gebouw onmogelijk konden ontwerpen, omdat onze computerprogramma’s geen spiralen zouden ondersteunen. Vervolgens kwam de tweede medewerker terug, vol enthousiasme. Hij vertelde ons dat hij Boromini ge-googled had en dat het concept nu helemaal begreep: het was een merk Italiaanse schoenen met prachtige curves! Het werk van een architect, het ontwerpen en bouwen, kan beschreven worden als een queeste, een ontdekkingsreis zonder landkaart, waarbij alleen de plaats van vertrek bekend is, maar de plaats van aankomst onzeker. Zullen we de westelijke route naar India ontdekken, of een nieuw continent? Kennis, kunde en evocatie zijn noodzakelijk om deze reis tot een goed einde te brengen. Kennis, kunde en evocatie: ontwerpen draait om de synthese van deze drie polen. Ze zijn krachtig, soms moeilijk van elkaar te onderscheiden, maar samen zo onontbeerlijk als de strengen in een touw. De eerste twee, kennis en kunde, zijn essentiële kwaliteiten om de reis te ondernemen. Kennis van het weer en van de sterren om te kunnen navigeren, kunde om de zeilstanden en roerbewegingen te beheersen die het schip vaart laten houden. Evocatie tenslotte is onontbeerlijk om het concept te creëren dat je India zou kunnen bereiken zonder van de rand van de aarde te vallen. De eerste modernisten, die nog opgeleid waren in de negentiende eeuw beaux-arts traditie, waren hiervan doordrongen. Hoe vernieuwend de vroege wolkenkrabberprojecten van Mies Van der Rohe in de jaren twintig ook waren, ze konden nog steeds begrepen worden in architectonische termen. Ze waren verankerd in vijfduizend jaar architectuur geschiedenis, niet gedreven door krachten daar buiten. In het werk van Mies is kennis, kunde en evocatie alom aanwezig. De beheersing van materialen en details toont zijn grote kunde, de beheersing van proporties en compositie toont zijn grote kennis, de verbluffende houtskooltekeningen tonen grote evocatieve kracht. Ik betreur het dat kennis, kunde en evocatie als kern van ons vak is geërodeerd. Hoewel, als je naar het werk van goede architecten kijkt, kan je vermoeden dat ze het allemaal doen, maar er niet over praten. De retoriek op de publieke tribune lijkt het ontwerpinstrumentarium dat in de beslotenheid van de architectenstudio wordt toegepast zorgvuldig te verbergen. Critici en studenten worden zo op het verkeerde been gezet. De jongere generatie is het slachtoffer van deze double speak. Ze denken dat kennis iets is dat je googled, kunde iets is dat autocad voor je doet en evocatie zoveel is als het beheersen van photoshop. Misschien is deze double speak wel de reden van de observatie van Ole Bouman dat een nieuwe generatie niet is doorgebroken. Mijn generatie heeft in de jaren zeventig het vak nog ambachtelijk geleerd van de tweede generatie modernisten. In het geheim oefent mijn generatie het vak ook nog ambachtelijk uit. (zo zag ik gisteren nog een foto van een prachtig ambachtelijk project van MVRDV in Tokio, het leek warempel net een echte Bakema!) In de jaren negentig is er door mijn generatie echter een heel ander verhaal opgehangen. De jonge generatie heeft waarschijnlijk de pech gehad dat zij de eerste generatie in de geschiedenis is waaraan het instrumentarium om ons vak uit te oefenen en de grammatica om over ons vak te spreken niet meer is overgedragen. VIERDE POSITIE: ONOPGELOSTE PROBLEMEN Een anekdote over Rotterdam. Vijf jaar geleden kregen we de opdracht om een nieuw gebouw voor het Scheepvaart en Transportcollege te bouwen op de Lloydpier in Rotterdam. In onze naïeve overtuiging van de degelijkheid van ons vak gingen we naar de Stedenbouwkundige Dienst van deze stad. We informeerden welke stedenbouwkundige regels op deze pier golden. Het antwoord was dat er geen stedenbouwkundig plan voor dit gebied was. We vroegen hoe het kon dat een Stedenbouwkundige Dienst geen stedenbouwkundig plan had. Het antwoord was dat de Dienst geen plan voor dit gebied had gemaakt omdat de afdeling Grondzaken hun hiervoor nooit een opdracht had gegeven. Wij vielen van onze stoel van verbazing! De Dienst stelde voor om dit probleem op te lossen door ons bureau een betaalde opdracht te geven om zelf een stedenbouwkundig plan te ontwerpen voor de Lloydpier. Dan zou ons gebouw zeker binnen de stedenbouwkundige context passen. We hebben er dankbaar gebruik van gemaakt om op deze plek negentig meter bouwhoogte voor te schrijven. Om niet al te hebberig te lijken hebben we er uiteindelijk maar zeventig meter van gebruikt. Vier jaar later had de Dienst de congreszaal op de top van het pas opgeleverde Scheepvaartcollege afgehuurd voor een bijeenkomst. Daar hoorde ik uit de mond van de Directeur van de Dienst dat dit merkwaardige principe inmiddels tot staand beleid was verheven. De Dienst Stedenbouw moest vooral geen plannen meer ontwerpen, de markt zou vanzelf wel met een goed idee aan komen zetten, dat vervolgens door de Dienst tot stedenbouwkundig plan zou worden verklaard. Het is dat we op zeventig meter hoogte in een uitkraging zaten, anders had ik de grond onder mijn voeten voelen wegzakken. Ook deze anekdote is een symptoom van hetzelfde verschijnsel: hou je vooral niet bezig met je vak, maar doe alsof je een ander vak hebt. Onderwerp je aan willekeurige externe invloeden, die zich als natuurverschijnselen aandienen. Houdt onduidelijke verhalen, zeg dat de wereld te complex is geworden. Doe alsof je neus bloedt door te zeggen dat het vastleggen van natuurverschijnselen nu juist de essentie van je vak is. Nog niet zo lang geleden bestond het vak stedenbouw uit het tekenen van werkzame stadplannen. In de tijd van Wittenveen of Van Eesteren zette je gewoon vier heren in witte stofjassen in een atelier. Drie maanden later had je een stedenbouwkundig plan waarmee je vijftig jaar vooruit kon. Van alle kanten wordt ons wijs gemaakt dat zoiets nu niet meer zou kunnen. De tijden zijn zo veranderd meneer, alles is zo dynamisch dat je niets meer kan vastleggen. Natuurlijk is dat onzin. Dan zou New York of Barcelona in deze tijd ook niet meer kunnen functioneren. Mijn advies aan Rotterdam is daarom heel eenvoudig: teken eens een stedenbouwkundig plan! En dan bedoel ik niet zo’n rapport met veel tekst en neologismes, maar gewoon een plattegrond met bouwhoogtes, straatprofielen, opstanden en rooilijnen. Zoals architectuur tegenwoordig niet meer besproken wordt in architectonische termen, zo wordt ook stedenbouw niet meer besproken in stedenbouwkundige termen. In plaats van het vak te beoefenen als het maken van ruimtelijke composities waarbinnen het leven kan functioneren, wordt stedenbouw nu begrepen als het onvermijdelijke resultaat van socio-economische krachten die door de stedenbouwer slechts vastgelegd hoeven te worden. Dat krijg je ervan als sommige van mijn collega’s beweren dat stedenbouw erin bestaat om zoveel mogelijk data in je computerprogramma in te voeren, waarna het computerprogramma er automatisch een stedenbouwkundig plan van maakt. Dat is natuurlijk een volstrekte omkering. Een stedenbouwkundig plan is een ruimtelijk kader, dat zich over de jaren heen kan vullen met data die vandaag nog niet bekend zijn. Naast het stedenbouwkundig plan heb je tegenwoordig ook nog het zogenaamde “Masterplan”. Dit sjieke broertje wordt zo genoemd omdat het niet door een ordinaire stedenbouwer is gemaakt maar door een meester-architect. Op dit moment werken wij aan verschillende driehoekige en trapeziumvormige gebouwen, die op kunstmatige maaiveldhoogten staan met daaronder een parkeergarage, die door een derde partij met onhandige kolomstramienen wordt ontwikkeld. Wij doen dit niet omdat wij als architect graag zulke vreemd gevormde gebouwen ontwerpen. Integendeel. Wij werken veel liever aan rechthoekige gebouwen die gewoon op het maaiveld staan. We doen dit omdat de meester-architecten het op die manier verzonnen hebben en deze vormwil als supervisor met geweld aan ons opleggen. Het resultaat is dat vrijwel al deze plannen stil liggen of dreigen niet door te gaan, omdat het masterplan inherente financiële, technische en organisatorische problemen veroorzaakt. Het stedenbouwkundig ontwerp is een onontwarbare kluwen van problemen geworden die doorgeschoven wordt naar het bord van de architect. Die moet de problemen vervolgens aan de tafel van de wethouder zien op te lossen. Ooit is stedenbouw uitgevonden om ruimtelijke problemen op te lossen, niet om ze te creëren. Stedenbouwkundige plannen gingen generaties lang mee en moesten niet bij elke economische of maatschappelijke wijziging, hoe drastisch ook, hertekend en heronderhandeld worden. Net als architectuur is ook stedenbouw een vak, gebaseerd op kennis, kunde en evocatie. De stedenbouw van de toekomst moet opnieuw een vak zijn dat problemen oplost, dat efficiënte lijnen uitzet waarbinnen de architect op eenvoudige wijze gebouwen kan ontwerpen. VIJFDE POSITIE: EEN VAK VAN BULK EN FOND Een laatste anekdote. Mensen slapen circa een derde van hun leven en gebruiken daarvoor meestal een slaapkamer en een bed. Omdat het gemiddelde mensenlichaam in de loop der eeuwen niet zo heel veel van maat is veranderd, is een gemiddelde bed al sinds mensenheugenis ongeveer twee meter lang en tachtig centimeter breed. Het is niet omdat de hedendaagse mens meer air-miles bij elkaar vliegt, meer giga-bites bij elkaar surft, of vaker in het buitenland verblijft dat de architectonische opgave van het bed of van de hotelkamer daarom wezenlijk veranderd is. Een jaar of drie geleden ondekte ik dat in elke hotelkamer ter wereld plots een architectonische vernieuwing was opgetreden: er zat nu standaard een vierkant gaatje in de muur van exact 1 bij 1 centimeter, een zogenaamd data-stopcontact. Dit schokkende, vernieuwende architectonische gaatje is inmiddels door de uitvinding van het draadloze internet alweer in veel hotels gedicht. Een hotelkamer ziet er vandaag nog steeds zo uit als honderd jaar geleden, zelfs met een surfende buitenlandse architect erin. De stelling van Ole Bouwman is dat er vandaag een nieuwe opgave is die bij hoogdringendheid om een nieuwe architectuur vraagt. Het is inderdaad juist dat er een opgave is die zich nog nooit in zulke omvang aan ons heeft aangediend. Maar inhoudelijk is het nog steeds dezelfde oude opgave waar de architectuur vijfduizend jaar geleden ooit voor is uitgevonden: het maken van een comfortabele leefomgeving. Zelfs al zou de opgave nieuw zijn, dan nog is het een misverstand dat daar een nieuw architectonisch instrumentarium voor nodig is, of dat er een andere architectuur uit zou ontstaan, of dat de rol van de architect zou moeten wijzigen. Nieuwe technologie leidt niet noodzakelijkerwijs tot nieuwe architectonische schikkingen. Wat is het verschil tussen een negentiende eeuwse sweat-shop en een twintigste eeuws call-center? Vroeger zaten de mensen in rijen onder een te laag plafond verdwaasd te staren naar ronkende naaimachines. Vandaag zitten de mensen in rijen onder een te laag plafond verdwaasd te staren naar zoemende computers. Niet echt een architectonische vernieuwing, en zeker geen aanbeveling voor de architecten, die er in honderd jaar kennelijk niet in geslaagd zijn de basisvoorzieningen voor het leven van alledag op een hoger niveau te brengen. De belangrijkste architectonische en stedenbouwkundige opgave van dit moment is wat mij betreft het vraagstuk van de verstedelijking en in het verlengde daarvan het vraagstuk van de duurzame ontwikkeling. Dat betekent dat de belangrijkst opgave niet ligt in het ontwerpen van megalomane monumenten voor de nieuwe Zonnekoningen van deze wereld in Dubai of Beijing. De belangrijkste opgave voor de komende twintig jaar ligt in het ontwerpen van een comfortabele dagelijkse leefomgeving voor miljarden mensen overal ter wereld. De opgave ligt in het ontwerp van het alledaagse, van het generische als je het zo wil noemen. Het is daarom een jammerlijk misverstand dat alle aandacht van de architectuurmedia en de architectuurkritiek alleen naar de meest spectaculaire experimenten gaat. Het lijkt erop alsof architecten – wellicht gegeneerd omdat ze geen antwoorden weten te formuleren voor de global warming, de energiecrises, de overbevolking of de slechte huisvesting in de miljoenensteden - vluchten in exuberante ontwerpen en virtuele debatten, ver weg van de realiteit van het alledaagse. Door deze vlucht in de exclusiviteit van het artistieke heeft de architect de noodzakelijkheid van het gewone uit het oog verloren. Nog ergerlijker is het dat het onderwijs het ontwerpen van buitenissige gebouwen als hoogste doel stimuleert. De studenten zouden juist getraind moeten worden om de bulk en de fond te maken: die vijfennegentig procent van de productie van architectonische objecten en stedelijke structuren, die van een enorme terughoudendheid, maar tegelijk van een zeer hoge kwaliteit hoort te zijn. En met kwaliteit bedoel ik degelijkheid door een krachtige materialisering, comfort door een juiste schikking en schoonheid door een elegante compositie. Nu is dat juist andersom. In Nederland bijvoorbeeld heeft de bulk van de productie een zeer matige degelijkheid, een belabberd comfort en een gekmakende expressiedrift. In Rotterdam is na twintig jaar gekke gebouwen maken nog altijd geen stad gecreeërd, maar slechts een verzameling van gekke gebouwen. Wat dringend gemaakt moet worden, is een sterk stedelijk fond. Dat een gerespecteerde 72-jarige architect daar af en toe een buitenissig gebouw tussen mag zetten, behoort tot de charme van ons vak. De belangrijkste opgave voor de komende twintig jaar, waar ook ter wereld, is in mijn ogen de kwaliteit van de bulk en de fond. De bulk, die vijfennegentig percent van de productie, de plaats van het gewone en het alledaagse, moet degelijk, comfortabel en elegant zijn. De fond, die vijfennegentig procent van de stedelijk ruimte, moet een basisstructuur van hoge kwaliteit vormen. Ook in de bulk en de fond kun je als architect de opgave ontstijgen en nieuwe culturele betekenissen aan onze wereld toe voegen. Daar ligt de toekomst van de architectuur. Mijn antwoord op de vraag hoe de toekomst van de architectuur eruit ziet, is dan ook dat Architectuur 2.0 de aloude Architectuur 0.0 is. Een ambachtelijk vak, dat staat in een vijfduizendjarige traditie. Een vak dat zich tot doel stelt om heldere ruimtelijke objecten en eenvoudige stedelijke composities te maken. Een oud en traag vak, waarin architecten met veel plezier tergend langzaam zware objecten maken, die eindeloos lang op hun plek blijven staan. Een fantastisch vak dat gaat over de bulk en de fond, over de kwaliteit van het dagelijks leven. Een vak dat zich ten doel stelt om degelijkheid, comfort en schoonheid te leveren, zoals Vitruvius dat in zijn manifest voor Architectuur 0.0 tweeduizend jaar geleden heeft geschreven. De eenvoudigste manier om dit te bereiken is dat de architecten en stedenbouwers weer vertrouwen krijgen in hun eigen vak. Dat zij hun traditionele positie van vakman weer innemen en het traditionele instrumentarium van kennis, kunde en evocatie opnieuw hanteren. Want daarin ligt het geheim van ons succes, het geheim waar Ole naar vraagt. Daar ligt de kracht en het vermogen van de architectuur. Dat was het succesvolle recept van haar verleden, en is wat mij betreft het succesvolle recept voor haar toekomst. Willem Jan Neutelings, 9 november 2007 |