|
‘Carport, carport, carport, carport.’
Het is het hilarische, maar ook treurig stemmende commentaar dat Indira
van ’t Klooster geeft bij de vertoning van een aantal korte filmpjes
die in Twente werden gemaakt. De monotonie van cataloguswoningen werd
pijnlijk zichtbaar. ‘We hebben heel veel hetzelfde gezien en nauwelijks
een voorbeeld waarin de stalling van de auto een geïntegreerd onderdeel
van de woning was,’ zegt Van 't Klooster die deze avond moderator
is.- Dat catalogusbouw favoriet is bij veel particulier opdrachtgevers
is volgens Van ’t Klooster als volgt verklaarbaar: ‘Het geeft
zekerheid in kosten, tijd, en zorgt bovendien voor een ontwerp dat op
een gemiddelde smaak is afgestemd. Je kunt je er geen buil aan vallen
en je houdt wat geld over om te besteden aan het interieur.’ Van
de 8470 woningen die in 2005 in particulier opdrachtgeverschap werden
gebouwd, was 50 procent catalogusbouw. Om een onderlinge samenhang te
waarborgen voeren gemeenten uiteenlopend, al of niet succesvol beleid.
Op de debatavond werd op drie niveaus gediscussieerd: over de regie bij
particulier opdrachtgeverschap in het stedelijk, het regionale en het
landelijke gebied. Daarvoor waren respectievelijk Rein Geurtsen, Arno
Koldenhof en Karen de Groot uitgenodigd.
Particulier opdrachtgeverschap in het stedelijke gebied
Rein Geurtsen, stedenbouwkundige en directeur van Rein Geurtsen en partners,
heeft ruime ervaring is het voeren van supervisorschap in het stedelijke
gebied. In die praktijk kwam hij nauwelijks een particuliere opdrachtgever
tegen maar werkte hij vooral met de institutionele opdrachtgevers. Kwaliteitsregie
gaat volgens Geurtsen vooral over de rol van de architectuur in relatie
tot de openbare ruimte. Een goede verstandhouding tussen de stedenbouwkundige,
de supervisor en de architect is dan van betekenis. Hij illustreert dit
met enkele historische voorbeelden, zoals het Plan Zuid of het Plan Mercatorplein,
beide in Amsterdam en waarbij Berlage en Jan Gratama de positie van stedenbouwkundige
en supervisor onderling uitwisselden.
Na een korte periode in de jaren zeventig, waarin het supervisorschap
een vergeten begrip was, kwam het in de jaren tachtig weer op, bijvoorbeeld
in Maastricht waar Geurtsen bij zijn aantreden als hoofd stedenbouw een
krachtige stedenbouw en een goed primaat van de stedenbouw aantrof. ‘Als
de structuur van het denken in een stad goed is, dan hoeft het niet meer
van een persoon af te hangen,’ aldus Geurtsen die ook in Apeldoorn
en Papendrecht voorbeelden vindt van een goed ontwikkelde relatie tussen
architectuur en de openbare ruimte. ‘Het zijn vaak kostbare onderdelen
en dat vraagt dan om een strenge houding en veel overredingskracht. Maar
als consument wil je toch ook enige identiteit, met een eigen karakter,
expressie, ongeacht of het nu het collectief of individualiteit betreft.’
Op de vraag aan Rein Geurtsen wat zijn opvatting is als er wél
sprake is van veel meer opdrachtgevers in een stedelijke ontwikkeling,
antwoordt hij dat gemeenten overtuigd moeten worden om regels te stellen.
Overigens is in stedelijke gebieden het ‘schouder aan schouder’
bouwen (de zogenoemde grachtenpanden) eerder het geval. Catalogusbouwers
zijn nog nauwelijks op dit type stedelijke architectuur ingesprongen.
Angst voor uniformiteit in de architectuur is hier dan ook niet of nauwelijks
aan de orde.
Particulier opdrachtgeverschap in dorpen
Arno Koldenhof is stedenbouwkundige bij bureau Witpaard-partners te Zwolle,
waar zijn werkveld het dorp is met als klanten de kleine gemeenten en
ontwikkelende partijen. Hij komt vooral in de dorpsranden erg veel cataloguswoningen
tegen. Hoewel hij erkent besmet te zijn met een zeker dédain, opgelopen
tijdens zijn studie in Delft en zijn werk als rayonarchitect, ziet hij
toch een soort basiskwaliteit in de cataloguswoning. Het voorbeeld uit
Friesland toont dat de enkele ‘onder-architectuur’ gebouwde
woning tussen de veelheid van cataloguswoningen voor een goede afwisseling
kan zorgen. In zijn opvatting zijn er drie opties om kwaliteit te organiseren.
Ten eerste moet er een goed proces georganiseerd worden in de vorm van
de welstand, een beeldkwaliteitplan en supervisie. Daarnaast moet erkend
worden dat verschillende opdrachtgevers, zoals een ontwikkelaar, een corporatie
of een burger, om een volstrekt verschillende benaderingswijze vragen.
En tenslotte kun je kwaliteit organiseren door een kwaliteitsteam samen
te stellen, bestaande uit vertegenwoordigers van de gemeente, een rayonarchitect
en een stedenbouwkundige, die vooraf, per straatdeel een oordeel geven.
Door in die beoordeling ook de burger te betrekken, stimuleer je bovendien
de sociale structuur. Inhoudelijke sturing kan op architectuurstijl, hoofdvorm
en op kwaliteit van detaillering en materialisatie zijn. Maar als allerbelangrijkste
regieaanwijzing noemt hij desgevraagd de regel om vrijstaande woningen
lekker ruim op hun kavel te zetten, met een minimale afstand tot de erfgrens
om zo de woning lekker in het groen van de eigen tuin te kunnen zetten.
Particulier opdrachtgeverschap in het buitengebied
Karen de Groot, landschapsarchitect bij van paridonendegroot landschapsarchitecten
en als ontwerper betrokken bij het AtelierOverijssel, focust in haar inleiding
op het bouwen (voor particulieren) in het buitengebied. Veel boerenbedrijven
stoppen als gevolg van de schaalvergroting. In 2005 was al 59 procent
van de erven een burgerwerf geworden. In 2030 zal het aandeel burgererven
gegroeid zijn naar 85 procent. Veel boerenerven zullen worden gesloopt
om plaats te maken voor burgerwoningen waarbij het vervangende volume
volgens de rood-voor-roodregeling overeen mag komen met de boerderij,
inclusief het volume de stallen, schuren en overige opstallen. In veel
gevallen betekent dit dat het landschap verrijkt gaat worden met ensembles
van nieuw gebouwde woningen die vanzelfsprekend volgens het particulier
opdrachtgeverschap ontwikkeld zullen gaan worden. In haar studie over
‘knooperven’ heeft Karen de Groot een aantal scenario’s
ontworpen voor de Twentse situatie, inclusief de landschappelijke kenmerken.
Haar advies is om de boeren verantwoordelijk te laten zijn voor de grote
ruimten en de burgers voor de routes en de ontmoetingsplekken. Voor de
inrichting van nieuwe erven zegt zij: ‘Maak kloeke erven met verbindingen.
Geef maximaal 10 regels mee en laat de rest vrij. Wellicht kan zo op termijn
een netwerk van knooperven ontstaan. Een waar tuinenrijk.’
Tijdens de slotdiscussie blijkt dat de huidige regieregels in Twente
zich hoofdzakelijk beperken tot het vastleggen van nokhoogte, dakhelling
en dakrichting en de kleur van bakstenen. Het zijn regels die uniformiteit
moeten brengen en enige orde in de chaos beogen. Maar deze regels staan
het bouwen van cataloguswoningen allerminst in de weg. En het is juist
de vermeende matige architectonische kwaliteit van de cataloguswoning
die de beeldkwaliteit nadelig zou beïnvloeden. De suggesties die
te horen waren, komen nogal aanmatigend over: ‘Verstop ze in het
groen’ of ‘Zorg dat er alleen maar schouder-aan-schouder gebouwd
mag worden’. Het grootste risico blijkt dan te liggen in het buitengebied
waar binnenkort maar liefst 85 procent van de voormalig boerenerven verandert
in burgererven. Een al gesignaleerde ontwikkeling is de opkoop van boerenerven
door ontwikkelaars, die op papier al een verdeling maken in afzonderlijke
kavels die zo duur verkocht gaan worden dat alleen nog een goedkope cataloguswoning
haalbaar wordt.
Eindconclusie van zaal en inleiders was dan ook: regie op hoofdlijnen
blijft nodig!
|