Wie let er op de buren?


ArchiNed reportage

6 december 2007

Nee, het ging niet over een nieuwe vorm van sociale controle, maar over de samenhang in stedelijke, dorpse en landelijke gebieden waarin zich particulier opdrachtgeverschap voordoet. Als iedereen daar zijn eigen droomhuis bouwt, wie zorgt er dan voor samenhang? Deze vraag stond centraal tijdens een door het Architectuurcentrum Twente georganiseerde debatavond in Hengelo.

   

Vinex


Stadswijk


Stadsvernieuwing


Stadsvernieuwing


Stadsrand


Dorpsrand


Dorpsrand


Buitengebied

‘Carport, carport, carport, carport.’ Het is het hilarische, maar ook treurig stemmende commentaar dat Indira van ’t Klooster geeft bij de vertoning van een aantal korte filmpjes die in Twente werden gemaakt. De monotonie van cataloguswoningen werd pijnlijk zichtbaar. ‘We hebben heel veel hetzelfde gezien en nauwelijks een voorbeeld waarin de stalling van de auto een geïntegreerd onderdeel van de woning was,’ zegt Van 't Klooster die deze avond moderator is.- Dat catalogusbouw favoriet is bij veel particulier opdrachtgevers is volgens Van ’t Klooster als volgt verklaarbaar: ‘Het geeft zekerheid in kosten, tijd, en zorgt bovendien voor een ontwerp dat op een gemiddelde smaak is afgestemd. Je kunt je er geen buil aan vallen en je houdt wat geld over om te besteden aan het interieur.’ Van de 8470 woningen die in 2005 in particulier opdrachtgeverschap werden gebouwd, was 50 procent catalogusbouw. Om een onderlinge samenhang te waarborgen voeren gemeenten uiteenlopend, al of niet succesvol beleid. Op de debatavond werd op drie niveaus gediscussieerd: over de regie bij particulier opdrachtgeverschap in het stedelijk, het regionale en het landelijke gebied. Daarvoor waren respectievelijk Rein Geurtsen, Arno Koldenhof en Karen de Groot uitgenodigd.

Particulier opdrachtgeverschap in het stedelijke gebied
Rein Geurtsen, stedenbouwkundige en directeur van Rein Geurtsen en partners, heeft ruime ervaring is het voeren van supervisorschap in het stedelijke gebied. In die praktijk kwam hij nauwelijks een particuliere opdrachtgever tegen maar werkte hij vooral met de institutionele opdrachtgevers. Kwaliteitsregie gaat volgens Geurtsen vooral over de rol van de architectuur in relatie tot de openbare ruimte. Een goede verstandhouding tussen de stedenbouwkundige, de supervisor en de architect is dan van betekenis. Hij illustreert dit met enkele historische voorbeelden, zoals het Plan Zuid of het Plan Mercatorplein, beide in Amsterdam en waarbij Berlage en Jan Gratama de positie van stedenbouwkundige en supervisor onderling uitwisselden.
Na een korte periode in de jaren zeventig, waarin het supervisorschap een vergeten begrip was, kwam het in de jaren tachtig weer op, bijvoorbeeld in Maastricht waar Geurtsen bij zijn aantreden als hoofd stedenbouw een krachtige stedenbouw en een goed primaat van de stedenbouw aantrof. ‘Als de structuur van het denken in een stad goed is, dan hoeft het niet meer van een persoon af te hangen,’ aldus Geurtsen die ook in Apeldoorn en Papendrecht voorbeelden vindt van een goed ontwikkelde relatie tussen architectuur en de openbare ruimte. ‘Het zijn vaak kostbare onderdelen en dat vraagt dan om een strenge houding en veel overredingskracht. Maar als consument wil je toch ook enige identiteit, met een eigen karakter, expressie, ongeacht of het nu het collectief of individualiteit betreft.’ Op de vraag aan Rein Geurtsen wat zijn opvatting is als er wél sprake is van veel meer opdrachtgevers in een stedelijke ontwikkeling, antwoordt hij dat gemeenten overtuigd moeten worden om regels te stellen. Overigens is in stedelijke gebieden het ‘schouder aan schouder’ bouwen (de zogenoemde grachtenpanden) eerder het geval. Catalogusbouwers zijn nog nauwelijks op dit type stedelijke architectuur ingesprongen. Angst voor uniformiteit in de architectuur is hier dan ook niet of nauwelijks aan de orde.

Particulier opdrachtgeverschap in dorpen
Arno Koldenhof is stedenbouwkundige bij bureau Witpaard-partners te Zwolle, waar zijn werkveld het dorp is met als klanten de kleine gemeenten en ontwikkelende partijen. Hij komt vooral in de dorpsranden erg veel cataloguswoningen tegen. Hoewel hij erkent besmet te zijn met een zeker dédain, opgelopen tijdens zijn studie in Delft en zijn werk als rayonarchitect, ziet hij toch een soort basiskwaliteit in de cataloguswoning. Het voorbeeld uit Friesland toont dat de enkele ‘onder-architectuur’ gebouwde woning tussen de veelheid van cataloguswoningen voor een goede afwisseling kan zorgen. In zijn opvatting zijn er drie opties om kwaliteit te organiseren. Ten eerste moet er een goed proces georganiseerd worden in de vorm van de welstand, een beeldkwaliteitplan en supervisie. Daarnaast moet erkend worden dat verschillende opdrachtgevers, zoals een ontwikkelaar, een corporatie of een burger, om een volstrekt verschillende benaderingswijze vragen. En tenslotte kun je kwaliteit organiseren door een kwaliteitsteam samen te stellen, bestaande uit vertegenwoordigers van de gemeente, een rayonarchitect en een stedenbouwkundige, die vooraf, per straatdeel een oordeel geven. Door in die beoordeling ook de burger te betrekken, stimuleer je bovendien de sociale structuur. Inhoudelijke sturing kan op architectuurstijl, hoofdvorm en op kwaliteit van detaillering en materialisatie zijn. Maar als allerbelangrijkste regieaanwijzing noemt hij desgevraagd de regel om vrijstaande woningen lekker ruim op hun kavel te zetten, met een minimale afstand tot de erfgrens om zo de woning lekker in het groen van de eigen tuin te kunnen zetten.

Particulier opdrachtgeverschap in het buitengebied
Karen de Groot, landschapsarchitect bij van paridonendegroot landschapsarchitecten en als ontwerper betrokken bij het AtelierOverijssel, focust in haar inleiding op het bouwen (voor particulieren) in het buitengebied. Veel boerenbedrijven stoppen als gevolg van de schaalvergroting. In 2005 was al 59 procent van de erven een burgerwerf geworden. In 2030 zal het aandeel burgererven gegroeid zijn naar 85 procent. Veel boerenerven zullen worden gesloopt om plaats te maken voor burgerwoningen waarbij het vervangende volume volgens de rood-voor-roodregeling overeen mag komen met de boerderij, inclusief het volume de stallen, schuren en overige opstallen. In veel gevallen betekent dit dat het landschap verrijkt gaat worden met ensembles van nieuw gebouwde woningen die vanzelfsprekend volgens het particulier opdrachtgeverschap ontwikkeld zullen gaan worden. In haar studie over ‘knooperven’ heeft Karen de Groot een aantal scenario’s ontworpen voor de Twentse situatie, inclusief de landschappelijke kenmerken. Haar advies is om de boeren verantwoordelijk te laten zijn voor de grote ruimten en de burgers voor de routes en de ontmoetingsplekken. Voor de inrichting van nieuwe erven zegt zij: ‘Maak kloeke erven met verbindingen. Geef maximaal 10 regels mee en laat de rest vrij. Wellicht kan zo op termijn een netwerk van knooperven ontstaan. Een waar tuinenrijk.’

Tijdens de slotdiscussie blijkt dat de huidige regieregels in Twente zich hoofdzakelijk beperken tot het vastleggen van nokhoogte, dakhelling en dakrichting en de kleur van bakstenen. Het zijn regels die uniformiteit moeten brengen en enige orde in de chaos beogen. Maar deze regels staan het bouwen van cataloguswoningen allerminst in de weg. En het is juist de vermeende matige architectonische kwaliteit van de cataloguswoning die de beeldkwaliteit nadelig zou beïnvloeden. De suggesties die te horen waren, komen nogal aanmatigend over: ‘Verstop ze in het groen’ of ‘Zorg dat er alleen maar schouder-aan-schouder gebouwd mag worden’. Het grootste risico blijkt dan te liggen in het buitengebied waar binnenkort maar liefst 85 procent van de voormalig boerenerven verandert in burgererven. Een al gesignaleerde ontwikkeling is de opkoop van boerenerven door ontwikkelaars, die op papier al een verdeling maken in afzonderlijke kavels die zo duur verkocht gaan worden dat alleen nog een goedkope cataloguswoning haalbaar wordt.
Eindconclusie van zaal en inleiders was dan ook: regie op hoofdlijnen blijft nodig!

 

 

Tom de Vries

 

info

Films: Jeroen van Westen

De bijeenkomst Wie let er op de buren vond plaatst op 22 november in Infocentrum Hart van Zuid te Hengelo en werd georganiseerd door Architectuurcentrum Twente.