De nieuwe traditie gaat over het kijken naar gebouwen, bij uitstek het domein van de kunst- en architectuurgeschiedenis. De kunstgeschiedenis leert ons een en ander over de manier waarop we kijken en dat is bij een beschouwing over dit boek wel van belang. De architectuurgeschiedenis lijkt te gaan over de sequentie van architectonische stijlen, maar kan ook gaan over de thema’s, de ideeën en de theorieën achter de architectuurproductie. Een boek over architectuur gaat tot slot ook over de discipline van het ontwerpen van gebouwen als culturele activiteit.

Kunstgeschiedenis
Erwin Panowsky heeft voor de beschouwing van kunstvoorwerpen een begrippenapparaat geďntroduceerd dat de moeilijkheid van kijken uiteen legt in drie fasen. Bij de eerste fase van het onbevangen kijken probeer je alleen te beschrijven wat je ziet (de pre-iconografische beschrijving). Bekend voorbeeld in de kunstgeschiedenis: afbeelding van een vrouw met een kind op schoot. De tweede, iconografische fase benoemt zo’n afbeelding naar de heersende beeldtradities, zoals 'Maria met Jezus' ofwel 'Madonna'. Studenten kunstgeschiedenis worden in de aanvang van hun opleiding getraind snel zo veel mogelijk afbeeldingen zo te kunnen duiden: zij ontwikkelen de iconografische reflex. De derde fase, de iconologie, houdt zich bezig met vragen naar het maatschappelijke gebruik van de afbeeldingen: bijvoorbeeld waarom Madonna’s in de ene periode meer werden afgebeeld dan in de andere. Zo kan geduid worden dat de KRO als intermezzo of ‘beeldtune’ jarenlang een vrouw met kind gebruikte om te refereren aan de katholieke traditie waarin die omroep staat en aan zijn gerichtheid op ‘het gezin’.

Van de drie fasen is niet alleen de laatste lastig, omdat je er veel voor moet weten, maar ook de eerste, omdat je zoveel mogelijk je reflex tot benoemen moet onderdrukken. In beide aspecten is De nieuwe Traditie niet geslaagd. De selectie van voorbeelden is gebeurd met de iconografische reflex van ‘traditionalisme’ zonder ook maar een beetje aandacht voor kwesties van opgave en antwoord. De auteurs hebben die reflex niet willen of kunnen onderdrukken. Zo zijn ze niet toegekomen aan elementaire vragen als: zijn alle voorbeelden even geschikt, zijn ze wel vergelijkbaar, zijn ze als woning geschikt, deugen ze qua programma, qua maken, functioneren; horen ze wel op die plek, et cetera: al die aspecten waartoe de bouwkunde op aarde is, nog voordat zij architectuur wordt. De selectie maakt de indruk van de ouderwetse kunsthistorische kaartenbak, waarin op grond van enkele stilistische kenmerken achter een nieuw tabblad een tamelijk willekeurige collectie tot een nieuwe categorie is samengebracht.

De iconologische analyse is eveneens mager. Of moeten wij de nogal basale observaties in het essay van Ibelings zien als het antwoord op de vraag waarom deze selectie bijzondere aandacht verdient? Welke maatschappelijke ontwikkelingen zijn te onderscheiden die tot een hang naar oude tekeningen leidt? Hoe moeten wij de ontwikkeling duiden dat architecten architectonische vormen moeten tekenen die zij tijdens hun opleiding niet hebben geleerd? Dit in tegenstelling tot hun voorgangers, die alle details uit de ambachtelijke en classicistische traditie bij hun diplomering tot in de perfectie moesten beheersen, om ze vervolgens nooit meer toe te passen. Zulke vormen van diepgang of duiding zoekt men in het boek tevergeefs.

Architectuurgeschiedenis
De nieuwe traditie is een veelbetekenende titel. Hij is stellig in zijn exclusiviteit (de, niet een) en in zijn bepaling van tijd (nieuwe, er is dus ook een oude). De stelligheid van het lidwoord plaatst het boek in een lange traditie van pamflettistische publicaties met historiografische referenties. Curieus genoeg is het beroemdste voorbeeld in de architectuurgeschiedenis wel het boek Space, Time and Architecture, the Growth of a new Tradition, van Sigfried Giedion uit 1941. Giedion presenteert hier het ‘modernisme’ van begin 20e eeuw als de onvermijdelijke uitkomst van het verloop van de geschiedenis van de laatste eeuwen. Gropius, Le Corbusier, Van Eesteren, ze konden gewoon niet anders. David Watkin heeft in zijn boekje Morality and Architecture aan deze Hegeliaanse denkwijze aandacht besteed. De bijdrage van Van Rossem aan De nieuwe traditie is niet anders dan die van Giedion. Ook hij werpt zich op als de secretaris van een ‘nieuwe traditie’, die ook nu in nieuwe CIAM-congressen gestalte zal krijgen, als we die tenminste (naar Jencks) vertalen als 'Congres Internationaux d’Admiration Mutuelle'. En ook hij doet een greep in de historiografie om de door hem bewonderde voorbeelden van een logische ‘pedigree’ te voorzien.

Met de oude traditie, waaraan de titel impliciet refereert, moet wel dat modernisme van Giedion worden bedoeld, waartegen zowel Ibelings als Van Rossem zich afzetten. Ook dat wordt natuurlijk als een karikatuur gepresenteerd: er lijken geen goede ‘modernisten’ te zijn geweest, zoals er geen matige architectuur in de selectie van ‘de nieuwe traditie’ lijkt te bestaan. Toch wordt vervolgens het woord traditie, vooral als bijvoeglijk naamwoord, steeds gebruikt voor de stroom van historische en ambachtelijke architectuur van bijvoorbeeld classicisme en Delftse School. Dat moet dan dus de echte ‘oude traditie’ zijn, waaraan architecten zich nu zouden moeten laven. Ook hier gaat die lezing niet diep; de kaartenbak toont ansichtkaarten en het tabblad is alleen schetsmatig beschreven. Het is ook mogelijk naar nog oudere tradities te kijken, of om anders naar traditie te kijken. Dat gaat echter niet met een plaatjescollectie, dan worden teksten relevant.

Het denken over architectuur is enkele eeuwen bepaald door het begrip ‘karakter’. Daarbij was de vraag op welke wijze architectonische vormen het best alle aspecten tot uiting brengen die relevant zijn voor ‘goede’ architectuur? Daarvoor werd, naar analogie van Vitruvius’ geschriften, een heel programma gedefinieerd, waarover tot in het begin van de 20e eeuw heftig werd gediscussieerd. Dat programma van eisen aan architectuur gaat over de natie, de regio, de locatie, het programma / de functie, de opdrachtgever, de tijd. Het geeft de architect een agenda, de beschouwer een checklist en beide een basis voor enkele boeiende gesprekken. Dat programma gaat niet over ‘stijl’; de architectonische stijl is alleen maar het min of meer toevallige resultaat van een adequaat antwoord van de architect op de aspecten van de agenda. Wie dan ook een boek maakt op basis van alleen enkele van de stilistische aspecten van de architectuur van een periode, raakt alleen de verpakking, niet de essentie. Hij exploreert van de geschiedenis de kaartenbak met plaatjes, niet het denken dat aan die plaatjes ten grondslag ligt.

Die stap naar zo’n begrip van traditie in de geschiedenis van de architectuur, zou een boek hebben opgeleverd dat ergens over gaat. Want dan moet aan de orde komen, waarom bouwen in de 21e eeuw er net zo moet uitzien als in de 19e, waarom de voorbeelden uit de kaartenbak voor het boek niet duidelijk maken op welke wijze wordt gereageerd op regio- en locatiespecifieke omstandigheden, enzovoort. Nu vermijden de auteurs om een nadere classificatie of beoordeling te geven van hun voorbeelden terwijl er toch wezenlijke verschillen zitten tussen bijvoorbeeld het Java-eiland in Amsterdam (Soeters-Van Eldonk, p.162-163) en de Haagse Obrechtstraat (Scala p.149, waarvan we ook nog liefdevol een detail van de trapleuning krijgen opgediend, hoewel de categorie ‘stad’ is). Het kan toch niet teveel gevraagd zijn om een onderscheid aan te brengen tussen op historische thema’s geďnspireerde voorbeelden (‘neefjes’) en botte kopieën (‘klonen’)?

Gebruik van zo’n traditioneel begrip als ‘karakter’ heeft bovendien een zeer activerende werking. Het geeft architecten de agenda waarmee zij wellicht betere antwoorden geven op de vragen die de auteurs zich in dit boek stellen. Want het is niet de verschijningsvorm waar bewoners en beschouwers van de oude modernistische traditie op afknappen, maar het gebrek aan een herkenbare expressie van tijd, natie, regio, programma, etc. Door de uitkomst van de gesprekken hierover als uitgangspunt te nemen, in plaats van de gesprekken zelf te accommoderen, betuttelen de auteurs de gebruikers en bewoners op dezelfde wijze als zij aan de oude traditie verwijten.

Architectuur
Het spreekt vanzelf dat in het licht van het voorgaande het boek ook geen perspectief biedt voor de architectuur als culturele activiteit en de architect als cultuurproducent. Van de ontwerper wordt verwacht dat hij de ansichten uit de kaartenbak kopieert, van de opleiding dat hij de studenten daartoe equipeert en van de gebruiker/beschouwer dat hij zich beperkt tot de iconografische reflex. De auteurs geven er daarmee blijk van goed te passen in de nieuwe traditie van consumentisme. Het oude dilemma van het architectenberoep, dat de architect zowel kunstenaar is als ondernemer, wordt hier zonder veel interesse miskend. De architect dient zich in de visie van de auteurs te gedragen als ondernemer die een vraag uit de markt beantwoordt. Zij geven daarmee aan helemaal niet geďnteresseerd te zijn in authentieke antwoorden op de agenda die met een begrip als ‘karakter’ wordt aangeboden, een agenda die wellicht wat dichter bij de essentie van de architectuur komt. Daarmee gaat dit boek dus niet meer over architectuur, het gaat over plaatjes.