Victorian Drawing Class, Uit: J. Vaughan. Nelson's New Drawing Class. Edinburgh (1908)

Het is iets meer dan een jaar geleden dat het kunstenaarsduo Bik Van der Pol (Liesbeth Bik en Jos van der Pol) in het essay Work to Do haar toekomstvisie gaf voor een vitaal cultureel klimaat in Rotterdam. Het essay werd geschreven op uitnodiging van het door TENT, WORM, CBK Rotterdam en Ro Theater geïnitieerde State of the Art – een ideeënbundeling van uiteenlopende “makers” in het Rotterdamse culturele veld, in reactie op de landelijke bezuinigingen op kunst en cultuur.

Als er iets is dat ondanks – of liever dankzij – de economische crisis een groei zal doormaken in Rotterdam dan is het leegstand, en dus beschikbare ruimte. Het essay van Bik Van der Pol pleit voor een benadering van deze ruimte als open source. Hoewel een dergelijk idee in eerste instantie utopisch en zelfs futuristisch aan kan doen, blikt het kunstenaarsduo juist terug op die andere crisisperiode van de jaren 80 om haar toekomstperspectief van leegstaande ruimte als open bron te onderbouwen.

“Er was niets,” schrijven ze. Zelf verhuisde ik ooit naar Rotterdam vanwege de onmiddellijke tijd en ruimte die de stad te bieden had. Tijd en ruimte waarin eindeloos gewerkt en geleefd kon worden. Wie Rotterdam vrijwillig tot woon- en werkstad heeft verkozen, zal zich vermoedelijk kunnen vinden in de paradoxale rijkdom van de lege ruimte: alhoewel er allang niet “niets” meer is in Rotterdam, ontstaan veel mogelijkheden hier nog steeds vanuit de tekortkoming, het gebrek, het gemis. De toekomstgerichte blik die kenmerkend is voor deze stad lijkt voort te komen uit een onderdrukt historisch besef. Nostalgie verzandt in de vele bouwputten die de stad vrijwel voortdurend rijk is, en de sloop van gebouwen wordt vaak in adem genoemd met vooruitgang en herstel, alsof de naoorlogse wederopbouw nog altijd een actueel gegeven is. Die twee ongrijpbare werelden – verleden en toekomst – tekenen de contouren af van een wellicht nog ongrijpbaarder en ongedefinieerd heden, dat steeds in beweging is. Een onvoltooid tegenwoordige tijd die instabiliteit veroorzaakt, maar ook dynamiek. Want – zoals Bik Van der Pol schrijft – instabiliteit activeert: het creëert de noodzaak om oplossingsgericht, flexibel en daarmee vaak ook creatief te denken. Daarin schuilt de potentie van Rotterdam. Want hoe komt het dat sommige mensen blijven en anderen gaan – wetende dat de geboden tijd en ruimte in deze stad zich ook vertalen naar verveling en zichtbare leegstand? Zoals de titel van het essay van Bik Van der Pol al doet vermoeden, is er in Rotterdam altijd het nodige “werk te doen”. Dit kan als een last worden ervaren, maar ook als concrete uitnodiging naar de zelfinitiërende Rotterdamse “doener” in de breedste zin van het woord. Het is aan Rotterdam om die mensen ook daadwerkelijk aan zich te binden.

Het essay van Bik Van der Pol benadrukt het belang van de “doe-het-zelf-dynamiek” voor het culturele klimaat van Rotterdam. Het vermeende “niets” van begin jaren 80 bracht namelijk ook met zich mee dat kunstenaars eigen antwoorden formuleerden op de tekortkomingen van hun leef- en werkomgeving: zo werden verschillende initiatieven genomen tot de oprichting van collectieve werk- en tentoonstellingsruimtes, in door de stad beschikbaar gesteld leegstaand vastgoed. De gemeenschappelijke wil van kunstenaar en stad om het nodige “werk te doen” zorgde voor een voedingsbodem waarop het culturele klimaat van de stad zich verder kon ontwikkelen, en waarbij aanhoudende leegstand bovendien op maatschappelijk verantwoorde wijze kon worden aangepakt. Deze door de gemeente gestimuleerde doe-het-zelf-dynamiek van Rotterdamse kunstenaars en creatieve ondernemers – toen en nu – vertaalt zich naar een archipel van zelfopererende initiatieven die verspreid over de stad onderdak biedt aan een grote groep kunstenaars, bij stichtingen zoals Duende, Het Wilde Weten, Kaus Australis, Kunst & Complex, Foundation B.a.d., Wolfart projectspaces, Stichting Blokland, ADA, Sils, Worm, de Fabriek, en de Quarantine. Om een indruk te krijgen van het belang van deze niche voor het culturele ecosysteem van Rotterdam hoeft deze verzameling van doe-het-zelvers dus eigenlijk alleen maar in kaart te worden gebracht zodat de bijdrage die dergelijke initiatieven van burgers aan hun directe omgeving leveren (Crooswijk, Charlois, de Keileweg, het Oude Noorden, om maar enkele voorbeelden te noemen) zichtbaar kan worden gemaakt.

Deze doe-het-zelf-dynamiek is namelijk niet alleen een stimulans voor de stad en haar inwoners, maar ook voor het gemeentebeleid, zo blijkt uit de recente aankondigingen van de dienst Stadsontwikkeling Rotterdam om een aanzienlijk deel van het gemeentelijk vastgoed af te stoten. Rotterdam kende al het idee van de zogenaamde “kluswoning” – huizenkoop met renovatieplicht – en breidt dat nu uit met de ontwikkeling van collectieve klusprojecten voor gebouwen met een voorheen maatschappelijke bestemming. Welke implicaties heeft dit beleid voor de stad en haar inwoners? Meer vrijheid en onafhankelijkheid voor en van de burger, die in staat wordt gesteld om gemeentelijk vastgoed eigen te maken? De schijnzekerheid van een kortetermijnoplossing van en voor de gemeente, door de verkoop van het eigen vastgoed? Waar kunstenaars en creatieve ondernemers in de jaren 80 een concrete vraag creëerden voor woon- en werkruimte in voormalige schoolgebouwen en andere leegstaande panden, tracht de gemeente nu met datzelfde vastgoed een geforceerd aanbod te scheppen voor wat zij de “enthousiaste zelfbouwer” noemt: particulieren die bereid zijn om deze gebouwen binnen een plan van “Collectieve Herontwikkeling” als rechtmatige eigenaar tot permanente woon- en/werkruimte te renoveren. De doe-het-zelf-mentaliteit die ter inspiratie diende voor deze plannen – en die noodzakelijk zal zijn voor de uitvoering ervan – wordt hier in feite ingezet om de verantwoordelijkheid voor deze panden definitief aan de markt over te dragen: het letterlijke “doe-het-zelf”-credo dat van bovenaf door de gemeente wordt aangedragen, past in het algehele streven naar een grotere zelfredzaamheid van de burger.

Vertegenwoordigers van verschillende Rotterdamse kunstenaarscollectieven in crisisoverleg (foto: Kamiel Verschuren)

Dat hoeft nog niet te betekenen dat top-down beleid en bottom-up initiatieven elkaar niet in een gedeeld plan en streven kunnen ontmoeten, maar er zal ook oog moeten zijn voor wat zich op spontane wijze of uit pure noodzaak heeft ontwikkeld. Veel van de voormalige schoolgebouwen die de gemeente in de verkoop wil doen, worden al jaren gehuurd door kunstenaars en creatieve ondernemers die werkzaam zijn in de studio’s van eerdergenoemde kunstenaarsstichtingen. Desalniettemin valt in een recente oproep te lezen dat deze gebouwen vaak al jaren leeg staan. “Hier kun je prachtige nieuwe appartementen realiseren die een historische sfeer ademen. Met een afgesloten binnenterrein ideaal voor gezinnen.” (Havenloods, 13 juli). Het is ironisch dat de gemeente een blinde vlek heeft voor de krachten die met de bestaande kunstenaarscollectieven, en in de desbetreffende panden, reeds gebundeld zijn. De “enthousiaste zelfbouwer” waar de gemeente zo naarstig naar op zoek is, bevindt zich in veel gevallen al op de plek van bestemming.

Een ongelukkig voorbeeld van dit gebrek aan betrokkenheid bij de huidige huurders, vormde de kennisgeving van Stadsontwikkeling voor de plannen van collectieve herontwikkeling van de Bloklandschool in Rotterdam Noord. Eind mei werden de huidige gebruikers van het pand hierover telefonisch ingelicht: op 6 juli zou er op initiatief van Stadsontwikkeling een besloten bezichtiging plaatsvinden voor geïnteresseerden. De IABR zou daarna een – eveneens besloten – workshop organiseren waarin de verschillende aspecten van collectieve herontwikkeling besproken konden worden. Na deze bijeenkomst zouden de huidige gebruikers – architecten, ontwerpers en kunstenaars – nog ongeveer 6 weken van het pand gebruik kunnen maken, waarna zij moesten vertrekken. Deze situatie vormde de directe aanleiding van een bijeenkomst van vertegenwoordigers van verschillende Rotterdamse kunstenaarscollectieven, begin juni. Daar werd duidelijk dat vrijwel al deze collectieven te maken hebben met gebrekkige communicatie van Stadsontwikkeling en dat zij bovendien weinig tot helemaal niet bij de plannen betrokken worden. Na de nodige consternatie over de plannen omtrent de Bloklandschool vond de door Stadsontwikkeling en IABR georganiseerde workshop op een andere locatie plaats (in de Dépendance in het Schieblock), en werden een aantal vertegenwoordigers van kunstenaarscollectieven uitgenodigd voor deelname. Uit het verslag van deze workshop valt te lezen dat de workshop door vijf “geïnteresseerden” werd bijgewoond; de overige 39 deelnemers bestonden uit gemeenteambtenaren, medewerkers van wooncorporaties en makelaars, architecten, financiële adviseurs (ABN AMRO en Rabobank), en huidige huurders en beheerders van het gemeentelijk vastgoed.

Dat de gemeente oplossingen moet zien te vinden voor de gevolgen van de economische crisis is duidelijk, maar zij moet ook over de realiteitszin beschikken om dergelijke plannen in overleg, en met mogelijke alternatieve oplossingen voor de huurders van deze panden te ontwikkelen – getuige ook de groep van deelnemers aan bovengenoemde workshop, die uiteindelijk hoofdzakelijk bestond uit de huidige betrokkenen bij de desbetreffende panden. Uit het verslag van de workshop valt bovendien te lezen dat het bij het gemeentelijk plan voor herontwikkeling (lees: verkoop) niet alleen om een “vastgoedtransactie” gaat “maar ook om de vraag hoe deze gebouwen relevant kunnen zijn of worden gemaakt voor het stimuleren van initiatieven voor meer woon- en werkdiversiteit in Rotterdam.” Aangezien de kunstenaarscollectieven mede verantwoordelijk zijn voor de diversiteit in desbetreffende buurten, en een sociale en economische impuls hebben geboden aan de directe omgeving, draagt de gemeente de verantwoordelijkheid om nu eerst met hen rond de tafel te gaan zitten. Er is namelijk – zoals gebruikelijk – werk te doen. Maar er is ook al een hele hoop werk verricht in Rotterdam, wat letterlijk opgaat in de “ruimte” en het “niets”, wanneer het niet als zodanig wordt herkend.