Gelukt Nederland: Mississipiestraat, Purmerend-Zuid. De alomtegenwoordigheid van de ruimtelijke geordendheid is moeilijk te vatten in één beeld. Het is als met de uitgestrektheid van het Amerikaanse landschap: dat ervaar je alleen als je urenlang erdoorheen rijdt en niets anders dan dat tegenkomt. Met Streetview zouden mensen zelf door zo'n wijk kunnen dwalen.

Beste Joep Gosen,

In uw brief heeft u het over een kakofonie van nevenschikkingen en een uitgesproken rommelige omgeving die ik in de serie Nederland - uit voorraad leverbaar in beeld heb gebracht. In het hart van veel gemeenten tref je inderdaad die nevenschikkingen aan, mooi woord is dat trouwens. Daar is door de jaren heen iets afgebroken en bijgebouwd, daar werd de schaal gedefinieerd door onze voorouders. Je vindt er een witgoedzaak met een plat dak uit de jaren zestig, naast een dijkhuisje uit de jaren twintig van de vorige eeuw. Met er tegenover een Rabobank van nog geen tien jaar oud en een negentiende-eeuws schoolgebouw waar nu een bibliotheek in zit. Daarmee wordt volgens u het beeld van de geordende ruimtelijkheid waar wij in Nederland zo bekend om staan onderuit gehaald. Toch weet u net als ik dat die geordendheid wel degelijk bestaat. Je ziet het in overvloedige mate in de uitgestrekte woonwijken die zich net buiten gemeentekernen bevinden.


In opdracht van NRC Handelsblad reisde ik in 2004 in de zomer door Nederland. Iedere dag publiceerde ik in die krant een foto en een column, waarin ik mij verbaasde over de inrichting van Nederland. Die columns verschenen later dat jaar in het boek Achterland. Op pagina 42 staat de volgende opmerking:  

‘Hele nieuwbouwwijken zijn uit de grond gestampt die ontworpen lijken door dwangneuroten. Kilometers straten met huizen, bomen en lantaarnpalen op gelijke afstanden. Die aan de rand overgaan in polders met keurig rechte slootjes. In andere landen heb je heuvels, bossen, rivieren, bergen, overal zie je de vormen van eeuwenoude landschappen door het nieuw aangelegde heen. Dat evenwicht ontbreekt hier op veel plaatsen. Daardoor werkt die ruimtelijke geordendheid misschien benauwender. Het is net als met die strakgetrokken Nederlandse voortuintjes. Daar is niets mis mee, maar als ze er bij gaan zeggen dat het bij de buren maar een rommeltje is, dan weet je al uit welke hoek de wind waait. Onder het mom van esthetiek ordnung aanbrengen. Dat simpele idee, dat als alles netjes recht staat de wereld op orde is.’

Die ontbrekende natuurlijke tegenhanger van ruimtelijk ordening, dat is wat Nederland zo anders maakt dan de rest van de wereld. Zelfs het landschap is planmatig. De geordendheid is hier zo absurd ver doorgevoerd, dat wij het als gewoon zijn gaan beschouwen. En omdat we er zo vertrouwd mee zijn geraakt, zijn we het wellicht ook mooi gaan vinden. En vinden we een boerderij waar op het erf wat verroeste landbouwvoertuigen staan rommelig. Of noemen we industrieterreinen langs de snelweg al gauw ‘verrommeling’ van het landschap.
En dus is het ook niet verwonderlijk dat de meeste Nederlanders het in België ook maar een rommeltje vinden.
Die Nederlandse rommeligheid op mijn foto’s waar u over schrijft past dan ook niet bij het beeld dat Nederlanders van zichzelf hebben. In de Volkskrant sprak men van ‘onthutsende lelijkheid’ in een recensie over mijn tentoonstelling. Maar het onthutsende van Nederland zit hem voor mij niet in die door mij gefotografeerde halfslachtige compromissen tussen regelgeving, middenstand en lokale bestuurders in gemeentekernen. Dat typisch Nederlandse tekort steekt voor mij weldadig af bij die behoefte aan ordnung in die straten die eromheen zijn aangelegd. Dat is voor mij veel onthutsender.

Architecten verhouden zich tot de toekomst, als fotograaf kan ik hooguit door het heden vast te leggen een ontwikkeling laten zien. Tijdens een korte lezing op de opening van Nederland – uit voorraad leverbaar in het Nai, begin dit jaar, liet ik een aantal artist impressions zien van architectenbureaus. Dat zijn geen tekeningen, maar van foto’s kun je ook niet spreken. Zij laten ons een werkelijkheid zien die nog niet bestaat. Deze toekomstbeelden doen mij dan ook het meest denken aan afbeeldingen uit futurologieboeken. Op artist impressions is het altijd mooi weer. Dat de werkelijkheid anders in elkaar steekt weet iedereen, maar wij krijgen daar niet vaak iets van te zien. Want een foto van een parkeerterrein op een regenachtige dinsdag in maart of november in Barneveld of Breukelen wordt zelden besteld door een opdrachtgever.
Toch maakt dat beeld of die ervaring wel degelijk deel uit van ons collectief geheugen en van onze geschiedenis. Het is zoals de Engelse fotograaf Martin Parr zegt: vijfennegentig procent van de fotografie is propaganda. De opdrachtgever betaalt een fotograaf,niet om de werkelijkheid te laten zien, maar om een werkelijkheid te laten zien die hij kan gebruiken. De toepassing legitimeert het beeld als het ware en het kijken wordt daarmee letterlijk een kant op gestuurd. Van een vrijheid om onbekommerd alles in je op te nemen en vast te leggen is bij opdrachtfotografie in de meeste gevallen geen sprake.

Dat was wel wat ik mij had voorgenomen toen ik aan dit project begon: ik wilde naar Nederland kijken en het ook zo fotograferen alsof je er voor het eerst naar kijkt. Nederland als decor, als achtergrond van ons bestaan. Om dat idee van het kijken naar een decor te benadrukken fotografeerde ik vanaf een keukentrapje. Ik stond niet al te hoog, een meter is al voldoende om het accent bij de constructie te leggen. Daarnaast gebruikte ik een ander stijlmiddel, dat van het ogenschijnlijk motief waarlangs je naar de omgeving kijkt: twee mensen met een fiets, iemand bij een pinautomaat, twee mensen in een restaurant. Net als in de voetbalseries die ik maakte is de achtergrond mijn eerste onderwerp, de plek moet een herkenbare beschrijving geven, maar ik fotografeer zo’n decor graag een achter een ogenschijnlijk motief, zodat het op een natuurlijke manier opduikt, net als in ons leven. Wij kijken meestal niet om ons heen, wij zijn constant in beweging. Op een foto kan onze blik langzaam over een scène dwalen, de beschrijvende kracht van fotografie probeer ik optimaal te benutten. Op een foto vallen ons dingen op die wij in het echte leven vaak over het hoofd zien.

Je ziet in de foto's mijn verbazing en verwondering over hoe merkwaardig Nederland er in het hart van veel gemeenten uitziet. Vervolgens heb ik door de toevoeging van de catalogusbeelden op een lichtvoetige manier iets over het mechanisme van uitwisselbaarheid en herkenbaarheid duidelijk willen maken. Boek en tentoonstelling zijn bewust vormgegeven als een manifest dat een stand van zaken laat zien, met de bedoeling om reacties uit te lokken. Het brengt de dominante cultuur van Nederland in beeld, dat wat we overal tegenkomen. De conceptuele aanpak die wij herkennen in de horeca-interieurs, wordt ook zichtbaar in de vormgeving van heringerichte pleinen. Het draait daarbij steeds meer om vragen als: wie willen wij zijn als gemeente, wat willen wij uitstralen. Het project is dan ook geen aanklacht tegen de lelijkheid van Nederland - als ik dat had willen doen dan weet ik betere voorbeelden en had ik het wel anders gedaan. Persoonlijk word ik van dat half-gelukte Nederland in die gemeentekernen minder droevig dan van dat over-gelukte Nederland in die wijken eromheen.

Na de publicatie van Achterland in 2004 had ik bij mijn uitgever destijds al eens het idee geopperd in België rond te gaan kijken en daar een boek over te maken. Ik zou dat graag nog steeds eens doen. Aan het eind van uw brief somt u een reeks vragen op. Of mijn toekomstige foto’s het antwoord kunnen geven op de mechanismen die aan de inrichting van België ten grondslag liggen zal moeten blijken. Maar ik beloof u dat u de eerste bent die ik van mijn ondervindingen op de hoogte zal brengen.

De hartelijke groeten, ook aan uw zusje!

Hans van der Meer