Tot begin vorige eeuw was de Wibautstraat een groot rangeerterrein midden in de stad dat, na het omleggen en doorverbinden van het spoor naar het Centraal Station, als een gapend gat in de stad achterbleef. Na de Tweede Wereldoorlog is met een kenmerkend modernistisch ruimtelijk optimisme begonnen met de in- en aanvulling van de randen tot wat een groene, ruime toegang tot de stad moest worden, gedefinieerd door ontspannen ensembles van bebouwing. Maar zoals met zoveel klassieke masterplannen heeft de tijd ze ingehaald. Er zijn alleen fragmenten gerealiseerd, waarvan de bebouwing op de Parooldriehoek, ter hoogte van het metrostation, er één is. Hier, op het ‘lelijkste’ stuk van de lelijkste straat van Amsterdam, staat onder meer de door architectenbureau De Geus & Ingwersen ontworpen ambachtsschool uit 1956.

In de expressieve beton-brut architectuur van de ambachtsschool is de grote bewondering van Ben Ingwersen voor het werk van Le Corbusier goed zichtbaar. Veel elementen van Le Corbusier’s Unité zijn er haast letterlijk in geciteerd: van de pilotis tot de brise-soleil gevelelementen, van het sculpturaal vormgegeven daklandschap tot de in beton mee ontworpen schoorstenen en ventilatiekanalen. Het programma van de ambachtsschool mist door zijn simpele gelijkvormigheid, de optelsom van min of meer gelijke klaslokalen, een aanleiding om eenzelfde variatie in het gevelbeeld te ontwikkelen als bij de Unité. Maar Ingwersen heeft hier een eigen draai aan gegeven, door het raster van de brise-soleils tot een puur geometrisch patroon te maken. De gevels vormen zo een abstract vlak en het hele gebouw een abstract volume, waarvan het programma niet direct ‘afleesbaar’ is. Het relatief kleine volume wordt zo toch een sterk ‘onmeetbaar’ blok, wat het gebouw tot een los element in de open stedelijke ruimte maakt. Dit losstaande karakter werd nog versterkt door het hele blok een paar graden te draaien ten opzicht van de as van de Wibautstraat. Ook in kleinere elementen is dit effect consequent doorgevoerd. Zo is bijvoorbeeld de bekleding van het externe wenteltrappenhuis aan de noordzijde als een opeenstapeling van betonnen kaders vormgegeven, waardoor de trap een abstracte cilinder wordt waar ook de verdiepingen niet in terug te lezen zijn.

Toch staat de ambachtsschool er niet als een verloren eenling. Samen met de Parooltoren en het Trouwgebouw, beide ontworpen door Van den Broek en Bakema, vormen ze een samenhangend stedenbouwkundig ensemble, ondanks dat de laatste twee pas ruim tien jaar later in 1969 zijn opgeleverd. Deze buren staan ook een paar graden gedraaid van de straat-as. Die draaiing was overigens een bewust uitgangspunt in het AUP voor dit deel van de Wibautstraat en draagt de ‘losse’ plaatsing in de modernistische stedelijke ruimte. Binnen het ensemble zijn de volumes zo geplaatst dat ze elkaar letterlijk de ruimte geven. Zo is door de onderbouw van de Parooltoren iets terug te leggen de expressieve kopgevel van de ambachtsschool prominent in het zicht gelaten. De langsgevel van het Trouwgebouw volgt diezelfde lijn. De drie gebouwen zijn zo aan de zijde van de Wibautstraat hecht aan elkaar gekoppeld.

Afgezien van het voor die tijd kenmerkende gewassen grindbeton, waarmee ze qua materiaal op de ambachtsschool aansluiten, hebben de Parooltoren en het Trouwgebouw binnen het ensemble vooral een eigen identiteit. De Parooltoren is op het eerste gezicht een compacte toren met simpele bandramen. Maar die ‘simpelheid’ is er alleen oppervlakkig. De bandramen worden op elke gevel op één hoek onderbroken, alsof de gevel ‘om de hoek’ getrokken is. De bovenste verdiepingen zijn zo gekneed dat de toren niet een heldere daklijn heeft. Het uiteindelijke effect is dat de toren geen abstracte betonnen doos is, maar een volume waar de betonnen gevel als een geabstraheerd doek overheen is gedrapeerd. De toren staat in zijn geheel een stuk terug ten opzichte van de ambachtsschool en maakt door een sculpturale tweelaagse voorbouw contact met de Wibautstraat.

Het Trouwgebouw vormt naast het verticale volume van de toren juist een laag, getrapt volume. Direct aan de Wibautstraat wordt het beeld bepaald door een lage, langgerekte gevel. Onder een inktzwarte gevelbekleding bood een doorlopende glazen plint zicht op de drukpersen die daar stonden opgesteld. Erboven zijn nog twee lagen kantoren gebouwd met typische Van den Broek en Bakema details zoals betegelde gootjes in borstweringselementen van gewassen grind-beton. Maar ook de plastische stalen kozijnen met transparante en translucente banen zijn herkenbaar, in ieder geval voor (oud) bouwkunde studenten. Naast de relatieve ‘uitbundigheid’ van de ambachtsschool zijn de Patrooltoren en het Trouwgebouw niet spectaculair en voor velen vormen zij waarschijnlijk het hoogte- (of diepte)punt van saaie beton-dozen-architectuur. Er spreekt echter een ingetogen maar vakkundige precisie uit en laat een zelfbewuste, compromisloze materialiteit zien waar elke architect ook nu nog (stiekem) jaloers op zal zijn.

Alsof er nog niet genoeg bouwputten zijn in Amsterdam, verlost de gemeente nu de Wibautstraat van zijn titel ‘lelijkste straat’. In de plannen, die een aantal jaren geleden zijn ingezet, wordt de sloop van de drie betonnen gebouwen ‘onvermijdbaar’ genoemd. Collateral damage van de stedelijke verbetering. De voorstellen voor nieuwbouw liggen klaar, netjes in de (nieuw uitgevonden) rooilijn. Maar de drie staan er nog steeds. De ambachtsschool werd, ondanks dat ze voor sommigen het lelijkste gebouw van Amsterdam is, op het nippertje gered door een monumentenstatus en is nu, terecht, opgenomen in de lijst met honderd jonge Rijksmonumenten. De Parooltoren en het Trouwgebouw staan nog overeind omdat de geplande nieuwbouw voor grondeigenaar Stadsgenoot onhaalbaar bleek, en door de crisis ook wel zal blijven. Wie weet, misschien zullen de twee ook eens de monumentenstatus krijgen, al is het maar omdat ze onderdeel zijn van het oeuvre van een van de belangrijkste naoorlogse Nederlandse architectenbureaus. We kunnen ons nu misschien nog niet voorstellen dat dit soort grindbetonarchitectuur uit de jaren zestig en zeventig als erfgoed gewaardeerd zal worden, maar dat is natuurlijk een kwestie van tijd. Zolang het hele ensemble een actieve ruimtelijke én sociaal-economische rol in Amsterdam kan blijven spelen, kan de Parooldriehoek ook zonder die ‘waardering’ waarde hebben.

En dat doet het. De stedelijke open-hart-chirurgie die op de locatie was voorzien suggereerde dat de plek op sterven na dood was. Maar niets is minder waar. De ambachtsschool heeft een renovatie ondergaan en zal volgend jaar weer in gebruik worden genomen door een gymnasium. En de Parooltoren is een bruisende werkplek waar veel, vaak jonge en innoverende ondernemers hun bijdrage leveren aan de concurrentiepositie van Amsterdam. In het Trouwgebouw is met de Verdieping een aansprekende en ontspannen ontmoeting- en debatplek ontstaan. Wat hier nodig is, is een subtiele ‘endoscopische’ stedenbouw die met een mix van intelligente ingrepen in de openbare ruimte, renovatie, herbestemming en het voortbouwen op lokale (collectieve) initiatieven de al aanwezige kwaliteiten verder versterkt. Dat daarmee een paar kenmerkende en (uiteindelijk) esthetisch bijzondere gebouwen behouden kunnen blijven is mooi meegenomen.