"Het ontwerp(en) zoals erover gesproken kan worden is niet het eeuwige ontwerp(en)"
29 september 2011 / Edwin Gardner
architectuur, beeldende kunst
Het is fijn om op een biënnale te zijn die niet exclusief bezocht wordt door cynisch kunstvolk en louter intellectuelen. De Koreaanse Gwangju biënnale trekt mensen uit alle lagen van de samenleving en is met een half miljoen bezoekers in twee maanden de best bezochte biënnale ter wereld. Het is hartverwarmend de schoolklasjes voorbij te zien schuifelen, de gids van het educatieve programma volgend die geduldig uitleg geeft over de biënnale. Ooit opgezet als levend monument ter nagedachtenis aan de honderden gevallenen van de democratiseringsbeweging van 18 mei 1980, is deze biënnale een echt volksfeest.
De thesis die deze biënnale poneert is: Alles is ontwerp en iedereen is een ontwerper. Ontwerpers zijn volgens deze definitie zij die een D.I.Y instructie tekenen en schrijven voor geweldloos protesteren in Egypte, zij die monitoren van beurshandelaren voorzien van cijfers en grafieken, maar het zijn ook de sporters die hun lichaam onderwerpen aan zeer gespecificeerde trainingsprogramma's.
De uitgangspunten van deze Gwangju Design Biënnale zijn even radicaal en vooruitstrevend, als dat ze problematisch zijn. Het thema is: 圖可圖非常圖 (do-ga-do-bi-sang-do - "het ontwerp(en) zoals erover gesproken kan worden is niet het eeuwige ontwerp(en)") wat een woordspelling is op de Tao Te Ching (道德經) van Lao Tzu (老子). In de biënnale titel is het karakter voor Tao, 道/do vervangen door 圖/do *, wat tekenen betekent en zelfs verwijst naar een specifieke tekenpraktijk, namelijk het ontwerpen van een stad op papier, het creëren van een omgeving voor de mens binnen het kader van een specifiek medium.
Met dit thema heeft de biënnale een interessant en zeer ambitieus uitgangspunt gekozen, namelijk het openbreken van de definities van de ontwerpdiscipline en een poging tot een herdefinitie daarvan. In het Westen levert de term design automatisch een stroom van redelijk gevestigde, edoch vage associaties op, maar is vooral herkenbaar als ze als bijvoeglijk voornaamwoord voorbijkomt zoals in designpannenset of designer-kleding. Brendan McGetrick, een van de curatoren stelt: "[the idea of design is] Western-centric, commodity-driven, and wealth-dependent. It is hugely influential–much copied and frequently referenced–but it somehow loses depth with each incarnation." In Azië is de term design nieuwer en ongedefinieerde, een kans die de curatoren aangrijpen om de term te bevrijden uit haar Westerse keurslijf. McGetrick: "Ours is an exhibition about the power of ideas, a salvo in honor of the millions of acts of imagination that occur beyond the bounds of design".
Dat er eindeloos veel creativiteit en verbeelding bestaat buiten de grenzen van de ontwerpwereld, zal niemand betwisten, maar als het project van de biënnale het herdefiniëren van ontwerp(en) is dan ben je er met zo'n uitspraak nog niet. Een heldere en expliciete nieuwe definitie over wat ontwerp(en) dan wel zou zijn ontbreekt echter, maar de tentoonstelling geeft impliciet wel een aantal aanwijzing over de richting waarin gedacht wordt. Ten eerste laat de tentoonstelling zien dat de nieuwe ontwerpdefinitie niet meer het artefact of het object betreft, maar verschuift naar het definiëren van systemen en processen; dat vorm een consequentie is van ontwerp, maar niet het ontwerp zelf is. Het gaat om het ontwerpen van kaders, in plaats van de invulling. Het gaat om het ontwerpen van proces, in plaats van product.
Ten tweede zijn de makers achter de gepresenteerde ontwerpen, onderverdeeld in de categorieën 'Named' en 'Unnamed'. Hierin geeft Unnamed niet aan wat wel en niet door een ontwerper is gedaan, als wel dat de ontwerper onbekend is en zichzelf misschien niet als ontwerper ziet. Of dat het ontwerp tot stand is gekomen door onzichtbare (soms onbewuste) processen zoals bureaucratie of traditie. Zo is er een wand met een inventaris van verschillende Improvised Explosive Device (IED's: bermbommen e.d.) waar voor een werkbank staat met de benodigde materialen en gereedschappen om ze te maken. Maar ook de cockpit van een Unmanned Aerial Vehicle (UAV) bestaande uit monitoren en 'joysticks' waarmee je een van de vele drone-vliegtuigen boven Afghanistan kan besturen behoort tot de categorie Unnamed. De ontwerpers in de Named categorie zijn daarentegen bekend en soms beroemd, en spelen vaak de rol van onderzoeker. Ze zijn er net als de curatoren van de tentoonstelling op uit om iets te laten zien, om een verborgen ontwerp, patroon of zelfs een intentie naar de oppervlakte te brengen. Met We Feel Fine laat Jonathan Harris een emotionele weerkaart van de blogosphere zien. Met de Academy of Work bouwde Partizan Publik en Arne Hendriks een laboratorium waarin het lichaam geconditioneerd kan worden voor 'nieuwe' vormen van arbeid, van boer tot fabrieksarbeider tot kenniswerker, geïnspireerd door Sovjet ingenieur-poëet Aleksei Gastev.
Een probleem dat onopgelost blijft, is dat je in principe alles wel als ontwerp kan zien maar dat dat niet betekent dat alles een ontwerp is. De ontwerper die onderzoekt, bestudeert de wereld als ontwerper en neigt er dan ook naar deze als ontwerp zien. Het is de bekende metafoor dat met een hamer in je hand alles op een spijker gaat lijken. Dat lijkt op deze biënnale ook het geval te zijn, de wereld wordt gelezen als ontwerp. De praktijken en methodes van wetenschappers, kunstenaars, programmeurs, ingenieurs, krakers, atleten, architecten en beleidsmakers zullen allicht overeenkomsten hebben, maar wat deze overeenkomsten zouden kunnen zijn blijft helaas onzichtbaar.
In de catalogus schrijft artistiek directeur H-Sang Seung dat vandaag de dag iedereen kan ontwerpen, los van de vraag of dit goede of slechte ontwerpen oplevert. Informatietechnologie heeft iedereen toegang gegeven tot productie- en distributiemiddelen, dit zijn geen privileges meer van de ontwerp professional. Hij signaleert dat uniciteit en diversiteit in het ontwerpen prioriteit hebben verkregen boven universaliteit. Als ontwerpen niet constant vernieuwen, of geüpdatet worden, worden ze snel vergeten. Als antwoord op deze constatering laat de biënnale een terugkeer zien naar ontwerpen die universele projecten willen zijn, het gaat over alles behalve mode of trends. Het gaat over problemen oplossen, ontwerpen die daadwerkelijk maatschappelijk verschil willen maken. Soms naïef, maar vaker praktisch en provocerend. Design als een object van verlangen is grotendeels afwezig, maar tegelijkertijd zijn alle bijdrages duidelijk geworteld in een materiële en technische cultuur; een cultuur die ooit exclusiever was dan vandaag. Het ontwerp van de professional staat tegenover de hack of de oplossing van de amateur (de UAV tegenover de IED).
Het brengt ons tot de vraag: wat is de expertise, de praktijk die nodig is voor het 'creëren van een omgeving voor de mens binnen het kader van een specifiek medium'? Een stad ontwerpen op papier, de oorspronkelijke betekenis van het Koreaanse karakter voor ontwerpen, is in ieder geval duidelijk niet meer de manier om de wilde steden van Azië in goede banen te leiden, en misschien ook niet meer de manier om de stagnatie en krimp van het Westen te adresseren. Het vergt moed om als ontwerper zelf actief op zoek gaan naar het antwoord op de vraag die deze biënnale aan de orde stelt want de uitkomst kan wel eens je complete begrip van het vak op z'n kop zetten. Het breekt in ieder geval met het enge Westerse begrippenkader van wat ontwerpen is en zou kunnen zijn.
info
* Voor diegene die de Chinese karakters niet kunnen zien, het laatste plaatje van de slide show is een afbeelding van de tekst.
De Gwangju Biennale is nog te bezoeken tot en met 23 oktober 2011
The English version of this review is published on the Volume website.
www
We Feel Fine van Jonathan Harris en Sep Kamvar