In het boek worden 120 projecten van 43 ontwerpteams gedocumenteerd. Met zo’n 850 pagina’s van opdikkend papier is het boek zelf overigens verre van mobiel. Het is loodzwaar en nauwelijks in de hand te houden. Met pakweg 5 kilogram is het boek zwaarder dan de doorsnee lichtgewicht familietent. Wie voor zoveel volume en gewicht ruimte in de boekenkast reserveert, mag iets verwachten. Toegegeven, de lezer krijgt veel, maar ook een aantal essentiële zaken niet.
Om met dat laatste te beginnen, van een zo gewichtig boek mag enige reflectie, een zekere historische inbedding, een bepaalde typologie, kortom iets van een handreiking aan de lezer worden verwacht. Het ontbreekt zelfs aan enige verantwoording van de keuze van de gedocumenteerde ontwerpteams en hun projecten of aan een - hoe algemeen ook gesteld - definitie van Mobiele Architectuur. De volgorde van de projecten is alfabetisch op naam ontwerpbureau. Daarmee is het boek in feite een productcatalogus. Maar in een catalogus is nog wel een index of register te vinden op trefwoord of productsoort. En zelfs dat ontbreekt. De uitgever noemt het een archief, maar aan een archief moet toch ten minste een zekere catalogisering zijn verbonden en een historisch overzicht. Tekenend voor de vrijblijvendheid is het feit dat een naam van een auteur of redacteur, en daarmee enige persoonlijke verantwoording, op de titelpagina ontbreekt. Alleen in het colofon blijkt er sprake van twee editors.
Slechts 40 pagina’s zijn er gereserveerd voor informatie die het individuele bureau of project overstijgt. In vier korte essays wordt onder meer ingegaan op de technische ontwikkelingen ten aanzien van lichtheid en verplaatsbaarheid. Interessant soms, maar vooral ten aanzien van de noodzaak van lichte, nomadische architectuur nogal oppervlakkig en weinig steekhoudend. Veel verder dan uitspraken als: de wereld verandert en beweegt, dus architectuur moet ook veranderen en bewegen, komt het niet. Aan de vraag of veel van de gedocumenteerde projecten eigenlijk wel architectuur genoemd kunnen worden, komen de essays niet toe. Nu is dat wellicht ook een weinig relevante vraag, juist op het snijvlak van twee of meer verschillende disciplines vindt innovatie immers plaats, en wat mij betreft mag veel, zo niet alles architectuur worden genoemd.
Dit totale gebrek aan houvast maakt het vrijwel onmogelijk om het boek van voor tot achter te lezen. Het is een typisch bladerboek, op zijn best een inspiratiebron voor ontwerpers die zich met de materie bezig houden en dat willen gaan doen.

Voor wie al deze bezwaren voor lief neemt en het boek als bron voor inspiratie ziet, biedt Mobile Architecture overigens veel. Veel ideeën vooral. Want hoewel de keuze van de ontwerpers willekeurig lijkt, of althans nergens wordt verantwoord, waar is bijvoorbeeld de briljante Nederlandse tent- en boomhutontwerper Dré Wapenaar, komt de hele range aan mogelijkheden die architectuur zonder vaste grond biedt op de een of andere manier wel aan bod in de verschillende ontwerpers hoofdstukken. Uiteenlopend van schuif-, draai-, en klapbare woonmeubels tot verplaatsbare  en inplugbare capsules, van verrijdbare woningen tot lichtgewicht tenten, van lichte noodwoningen tot internetgebaseerde netwerkknopen, van opblaasbare constructies tot experimenten met zowat elk lichtgewicht bouwmateriaal, het staat er allemaal in.
De vraag ‘Waarom Mobiele architectuur?’die voor het boek als geheel niet wordt beantwoord, wordt overigens wel  als eerste van vijf standaardvragen gesteld en in sommige gevallen zinvol beantwoord in een kort interview met alle ontwerpers. Des te opvallender dat niet iemand de moeite heeft genomen om deze antwoorden samen te vatten. Ook de projecten worden kort, maar goed uitgelegd en gedocumenteerd.
Als nieuwtje is het boek ruimschoots voorzien van QR codes. Wie deze met een smartphone scant komt terecht bij video’s of websites. Soms de moeite waard, maar het is zelden duidelijk wat je gaat scannen, en op die manier wordt het een loterij met veelal niet meer dan een gewone website.
En zo wordt het genoegen van de ontegenzeglijk vaak vrolijke en inspirerende projecten en ontwerpers, steeds weer gedempt door de gemiste kans om in dat dikke boek naast al die inspiratie ook ruimte te maken voor enige afstand, wat overzicht en reflectie. Vooral die projecten verdienen meer aandacht. Misschien moet het boek inderdaad maar op de koffietafel worden gelegd om gedoseerd, één ontwerpersdocumentatie per week, te worden geconsumeerd. Dan gaat tenminste nog lekker lang mee; vakanties meegerekend een jaar.