Zelden heb ik zo’n leuk boek over architectuur gelezen als Je kunt China niet veranderen, China verandert jou. Leuk is misschien niet het juiste woord, het is zo’n woord dat je eigenlijk moet argwanen. Wie ‘leuk’ antwoordt op een vraag naar waardering, weet of durft niets anders te zeggen. ‘Leuk’ is dodelijk, te algemeen, zo oppervlakkig. Ik bedoel hier echter 'leuk' in de ware zin van het woord: iets dat plezier geeft èn onderhoudend is, iets wat bijblijft èn ontspannend is. Het boek valt gemakkelijk op het strand te lezen of in de trein - en dat kan niet vaak gezegd worden van een architectuurboek met nauwelijks beeld en vooral veel tekst. Je kunt China niet veranderen bevat dan ook de juiste combinatie van avontuur en anekdote, een vaardige pen en een intrigerende vraagstelling. Het pakt je vanaf het begin en leest als een roman. Een avonturenroman, om precies te zijn. De avonturier in kwestie is John van de Water, een van de oprichters van het Amsterdamse architectenbureau NEXT. Het avontuur bestaat uit het opzetten van NEXT Beijing. Dat klinkt als een documentaire, maar is het niet. Het is eerder een karakterstudie, meer een persoonlijke verantwoording dan een bureaugeschiedenis.

De motivatie voor deze verantwoording lijkt voor de hand liggend, wie bouwt in China krijgt vragen: Draag je niet bij aan de almacht van de communistische partij? Is het geen illusie om te denken dat je meewerkt aan verandering, laat staan verbetering? Ben je als architect in China niet medeverantwoordelijk voor de ongekend snelle urbanisatie, waar alles in letterlijke zin van vandaag op morgen voor moet wijken?
Van de Waters drang om zich te verantwoorden is echter meer persoonlijk – de grote vragen komen alleen in de marge aan de orde. De cruciale vraag van het boek is: hoe opereer je als Westerse architect in een andere cultuur? Na een wereldreis, voor hun onderzoek ‘The Image of the Metropolis’ naar veranderende metropolen, komen de oprichters van NEXT, John van de Water, Bart Reuser, Marijn Schenk en Michiel Schreinemachers, tot de conclusie dat als ze willen bouwen ze in China moeten zijn. Van de Water wordt op pad gestuurd om te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn. Ze associëren zich met een lokaal productiebureau en leren de verbazingwekkende ins en outs van de Chinese markt kennen. Van de Water merkt al snel dat hij de in Delft geleerde lessen in China moet afleren. Dat heeft minder met het enorme verschil in bouwopgave, schaal, budget en bouwtijd te maken, dan met de benadering van het vak. Delft staat voor analytisch en conceptueel denken. Op het NEXT-bureau in Amsterdam worden opgaven altijd kritisch tegen het licht gehouden. Tijdens workshops met alle betrokken partijen wordt iedereen uitgenodigd te reageren, met als doel een grotere architectonische kwaliteit en vakinhoudelijke ‘vernieuwing’.

In China is zo'n aanpak onmogelijk blijkt al snel. De opdrachtgever is nauwelijks in beeld, laat staan de toekomstige gebruiker, lokale autoriteiten of een aannemer. De opdrachtgever stelt een onduidelijke vraag: 'ik wil een modern splendid, grand, modern, European Modern, rich-company-looking kantoorgebouw', en verwacht daarop een helder antwoord. Of preciezer: meerdere antwoorden. ‘De Chinese opdrachtgever houdt van kiezen, niet van oordelen,’ schrijft Van de Water veelbetekenend. En daarom stelt deze zijn vraag niet aan een, maar aan meerdere bureaus - parallel of serieel. Soms is er zelfs al een ruwbouw en mogen de architecten een voorstel doen voor de gevel, soms is de gevel al in uitvoering en verandert alsnog de detaillering. Als er al sprake is van een gesprek, dan krijgt Van de Water het advies alleen vragen te stellen die positief beantwoord kunnen worden. Hij moet daarbij het analytische denken afleren ten faveure van het associatieve denken. Een gebouw dat op een muis lijkt – prima, als de Chinese traditie (vaak ingekleurd als het ongrijpbare Feng Shui) er iets positiefs in ziet. Architectonische kwaliteit? Niet alleen de opdrachtgevers hebben er geen beeld bij, ook zijn collega’s herkennen het nauwelijks. Als dat je doel kan zijn, reageren ze vrij naar de piramide van Maslov op Van de Waters pleidooien, dan heb je een goed leven. Zelf hebben ze wel wat fundamentelere zorgen aan hun hoofd. Ze zetten binnen enkele uren voorstellen voor wolkenkrabbers, grootschalige malls of stadsuitbreidingen in elkaar, daarbij vrijelijk en vrolijk puttend uit de Chinese en internationale architectonische tradities. Immers, zo stelt een van zijn collega's serieus, de Chinese cultuur is met zijn vijfduizend jaar de oudste. Alle ideeën, oud en nieuw, hebben hun oorsprong in China en daar kan dus vrij gebruik van worden gemaakt. ‘Westerse architecten hebben veel ruimte nodig om te ontwerpen’, reageert een collega als hij de opdracht om het Paleis op de Dam na te bouwen aan de Chinese kust afwijst omdat er geen ruimte was voor een ‘interpretatie van de opgave’.

Het mooie aan Van de Water is dat hij het zonder laatdunkendheid of meewarigheid opschrijft. Hij is en blijft verbaasd, dat wel. In het concluderende slothoofdstuk stelt hij dat het juist de verbazing is die hem in China scherp heeft gehouden. Carel Weeber had het de vier NEXT-oprichters nog als kritiek gegeven na hun wereldreis, volgens hem verbaasden zij zich teveel over wat ze zagen. ‘Kijken was niet hetzelfde als zien’, schrijft Van de Water dan. ‘Daarom was verbazing een groot goed, je bleef er scherp door zien.’ Door deze verbazing heen klinkt in de tekst oprechte nieuwsgierigheid door. Hij gaat voortdurend in gesprek, hoe staan zijn nieuwe collega’s, zijn opdrachtgevers en zijn nieuwe buren in het leven? Hoe kijken ze aan tegen het politieke systeem? En hoe verhoudt zich dat tot zijn eigen Westerse dan wel Delftse overtuigingen? Tot zijn professie als architect? ‘Je hebt een grote mening,’ reageert zijn buurman in een gesprek over de verschillen tussen het Westen en China waarin ook het onvermijdelijke thema democratie aan de orde komt, ‘voor een jonge jongen.’ In die gesprekken komt China als paradoxaal en moeilijk te begrijpen land naar voren. Dat mag, na de hausse aan boeken over China, geen verrassing meer zijn. Wat Van de Water daar echter aan toevoegt is het perspectief van binnenuit – niet enkel uit nieuwsgierigheid zoals een journalist het zou schrijven, maar als gesprek tussen Westerse en Chinese architectonische, culturele en sociale waarden. Dit gesprek, dat Van de Water ook met zichzelf voert, klinkt door het avontuur en de anekdotes heen en maakt het boek spannend. Je wilt weten hoe ver hij gaat in zijn zoektocht naar principiële integriteit. En hoe ver mag hij gaan van zijn partners bij NEXT in Amsterdam?

Van de Water stapt uiteindelijk uit de samenwerking met Huanyang, het Chinese 'productiebureau', en gaat verder als NEXT-Beijing. Hij is er van overtuigd – en zijn partners in Amsterdam steunen hem daar in - dat hij voldoende ervaring en netwerk heeft opgebouwd om zelfstandig de Chinese markt op te gaan. Hij constateert daarbij wel dat 'China hem verandert'. Hij ziet nu kansen voor architectonische kwaliteit en professionele vernieuwing in de specifieke Chinese aanpak, ook al blijven de Westerse waarden het hele boek overeind. Je zou wensen dat meer architecten zich zo bewust zijn van hun doelen en hun principes - en je hoeft er niet voor naar een andere cultuur. Het is deze verantwoording die de architect siert: hij bouwt niet om te bouwen, hij bouwt om te dienen en is daarom verplicht te reflecteren. Een dergelijke dienende interpretatie van het vak is geen uitholling van de professie (u vraagt, wij draaien), integendeel, het wint er mee aan diepgang.