Het oranjegevoel overheerste tijdens de internationale persbezichtiging vorige week donderdag. Geruchten dat het Nederlandse paviljoen de topper van deze Expo gaat worden zijn niet overdreven, onzichtbaarheid van de Nederlandse bijdrage aan deze Expo is uitgesloten. Vrijwel alle paviljoens en overige tentoonstellingsgebouwen zijn laag vergeleken met het NL-paviljoen. 'We' steken daardoor in elk geval in letterlijke zin boven de rest uit. Maar er zijn meer verschillen. Onder het motto 'Nederland schept ruimte' is ook het beschikbare terrein grotendeels leeg gelaten. Het NL-paviljoen is alleen daarom al veel beter zichtbaar. Als bijkomend voordeel is het NL-terrein gesitueerd naast de centrale stopplaats van de Expo-kabelbaan. Wat betreft de zichtbaarheid kan het niet beter. Tenslotte wijkt de architectuur uitdrukkelijk af van de rest van de landenpaviljoens.
Het architectonisch concept van het paviljoen mag inmiddels bekend worden geacht: een stapeling van landschappen die het thema van deze Expo (mens-natuur-techniek) verbeeld, maar waarmee ook de specifiek Nederlandse maakbaarheid van natuur en landschap wordt duidelijk gemaakt. De stapeling van landschappen werkt in de praktijk beter dan verwacht. Vooral het boslandschap waarbij bomen de draagconstructie vormen is erg overtuigend. De windmolens op het dak stonden zelfs bij een stevig briesje stil, maar ook dat is in de werkelijkheid niet veel anders.
De meeste paviljoens op de Expo zijn containers voor de presentaties die binnen plaats vinden. Architectuur speelt wel een rol, maar dan vooral als 'decorated sheds'. Het NL-paviljoen wijkt daarvan in zoverre af, dat de architectuur zelf het belangrijkste tentoonstellingsobject is. De presentaties die in het paviljoen plaats vinden waren op de persdag nog niet te zien, maar erg veel kan het niet voorstellen, daarvoor ontbreekt gewoon de ruimte. Het paviljoen zelf is het statement. En dan nog grotendeels een statement waarmee de ideeën van MVRDV worden verbeeld. Het idee om binnen de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland niet uit te gaan van egale verspreiding van het programma over het landschap, maar om in plaats daarvan gebruik te maken van lokale verdunning (light urbanism) en verdichting (Farmax) is vooral een MVRDV standpunt. De verticale stapeling van verschillende programma's (in dit geval landschappen) is bovendien een concept dat ooit met het geaborteerde plan voor het mediacentrum in Karlsruhe door OMA werd ontwikkeld. Zowel Winy Maas als Jacob van Rijs werkten op dat moment bij OMA. Als MVRDV vertaalden zij dit onder meer tot verticale parkstapelingen. In constructief opzicht heeft het paviljoen per laag een geëigende en afwijkende draagconstructie. Ook dit idee behoort tot de set MVRDV-OMA (en de constructeurs Cecil Balmond en ABT.)
Ooit waren de wereldtentoonstellingen hét medium om de industriële en technologische ontwikkelingen uit te dragen. Die functie is al lang overgenomen door de snellere media als TV en internet. De recente Expo's zijn in toenemende mate tot reclamezuilen voor landenpromotie verworden. PR-bureaus verzorgen de multimedia presentaties van vrijwel alle westerse landen. De interieurs van deze paviljoens zijn dan ook volstrekt inwisselbaar, als je er een hebt gezien dan heb je ze vrijwel allemaal gezien. Het verschil bestaat grotendeels uit de architectuur van het paviljoen. Het is in dit opzicht dan ook een verdienste van de Nederlandse bijdrage dat de architectuur van het paviljoen en de ruimtelijke ordening van het beschikbare terrein de eigenlijke tentoonstelling is. De multimediale presentatie is duidelijk bijzaak.
Wat wel blijft is het vaste item van alle Nederlandse bijdragen aan alle Expo's: de biertent van Heineken, die ook nu weer als een zwerende vinger uit het paviljoen steekt.
















