Recensie —

Tschumi opent CORPOREALITIES

Redactie

Onder de titel CORPOREALITIES organiseren de studievereniging Stylos van de faculteit Bouwkunde van de TU Delft en het NAi een lezingenreeks rond het thema lichamelijkheid en lichamelijke gewaarwording in relatie tot de architectuur en de architectonische ruimte. Bernard Tschumi opende de reeks.

Als leidraad voor de reeks heeft gastcurator Jos Bosman het boek 'The body in the mind, the bodily basis of meaning' van de Amerikaanse filosoof Mark Jones genomen. Een vijftal architecten/docenten die kunnen bogen op een diepgaande theoretische praktijk zijn uitgenodigd om op het thema en de theorie van Jones te reageren. Elke lezing zal worden vergezeld van een 'interventie' van een Nederlandse architectuurcriticus.Het eerste koppel: Bernard Tschumi en Ole Bouman, opende de reeks in een afgeladen Zaal A van de Delftse Bouwkunde faculteit. Tschumi begon zijn lezing bij de theoretische bron van zijn latere architectuurpraktijk: 'The Manhattan Transcrips'. Hierin onderzoekt hij, op basis van een stuiverdetective-plot, de verhouding tussen Space, Event en Movement aan de hand van bewegingsstudies uit de populaire cultuur zoals filmfragmenten en series 'sportchoreografien'. De reeks bewegingen van een of meer lichamen en de gebeurtenis die deze reeks teweegbrengt worden daarbij de vormbepalende factoren van de ruimte.Tschumi onderstreepte de relatieve onbelangrijkheid van de vorm in zijn architectuur door daarna het doorgehaalde woord Form minutenlang in beeld te laten. Onmiskenbaar spelen de begrippen space , event en movement een overheersende rol in Tschumi's werk. Maar om de recente notie dat de vorm daaraan ondergeschikt is, retrospectief op het hele oeuvre van toepassing te laten zijn, dat is het typische gedrag van een ontwerpend theoreticus die zijn recente theorie met terugwerkende kracht op het voorgaande werk van toepassing acht. Het werd dan ook licht hilarisch toen hij omstandig begon uit te leggen dat de follies in la Vilette absoluut niets met Form te maken hadden. Interessanter dan het in-formele in het werk (daarvan zijn betere voorbeelden van anderen te geven) is mijns inziens de wijze waarop Tschumi in zijn recente werk een 'in-between' realiseert, een 'leftover space', een ruimte voor het onverwachte en onvoorspelbare, waarin movements en events plaats kunnen vinden. De architectuurschool in Marne La Vallée , een uitgebreid voorzieningengebouw op de campus van Columbia University en een 'Bauhaus voor de 21ste eeuw', Le Fresnoy in Tourcoing, waarvan de laatste twee in aanbouw zijn, hebben een hoog daar-wil-ik-heen-om-te-kijken-of-het-werkt gehalte. De interventie van Ole Bouman ging amper in op de voorgaande lezing, maar leverde een interessante, op het thema van de reeks gebaseerde vraag op. Bouman stelde dat wij (de niet-studenten) de periode van het stoffelijke, 'humanistische' lichaam nog bewust hadden meegemaakt en nu zien hoe de tijd snel lijkt te verschuiven naar een periode van het niet-stoffelijke, viruele lichaam in cyberspace. Kon Tschumi de arme studenten in de zaal enige zekerheid geven dat er voor de toekomstige architect, getraind als hij is in zwaarte en realiteit, in cyberspace nog een plaats was? Tschumi's antwoord was even kort als bemoedigend: 'No, I cannot.'De tijdens de lezing besproken projecten zijn voor een deel te zien op de Tschumi-site Event-Cities