Feature —

BNA-Kubus voor Kollhoff

Piet Vollaard

Als we afgaan op het oordeel van de jury’s van Nederland, dan lijkt het woongebouw Piraeus dat Hans Kollhoff en Christian Rapp in 1994 op het Amsterdamse KNSM-eiland realiseerden het belangrijkste gebouw van de jaren negentig. Nadat Rapp vorig jaar, voornamelijk dankzij zijn aandeel in het ontwerp van dit superblok, de Maaskantprijs voor Jonge Architecten kreeg, ontvangt zijn leermeester Hans Kollhoff dit jaar de BNA-Kubus. Opnieuw lijkt Piraeus de aanleiding. Vanwaar die voorkeur voor de nogal norse, zwaar-op-de-hand architectuur van Kollhoff en Rapp?

De jury was gevraagd 'een buitenlandse architect voor te dragen die door het realiseren van een of meer gebouwen binnen onze landsgrenzen een bijzondere bijdrage heeft geleverd aan de architectuur in Nederland'. De keuze was dus beperkt. Hoewel, een snelle inventarisatie levert een behoorlijke lijst potentiële kandidaten: Meier, Mendini, Vandenhove, Graves, Rossi, Krier, Erskine, Foster, Piano, Bofill, Libeskind en Kollhoff/Rapp. Blijkbaar zoeken wij vooral traditionalistisch georiënteerde architecten in het buitenland. Vooral de gemeente Den Haag scoort hoog, zowel wat betreft het inhuren van buitenlanders, als wat betreft hun naar het verleden gerichte ontwerpblik. Vandenhove, Graves, Rossi, Krier, Bofill – en Meier mag daar ook wel bij gerekend worden – zijn duidelijk architecten die buiten de modernistisch/humanistische traditie van de Nederlandse architectuur vallen.

Ook de jury van de BNA-Kubus lijkt met de toekenning aan Kollhoff een kritische kanttekening te willen plaatsen bij de huidige internationale belangstelling voor architecten als Koolhaas, MVRDV, Arets, Van Berkel, Mecanoo, NOX en Oosterhuis en daarmee voor de voortzetting van de moderne architectuur in Nederland. Het werk en gedachtengoed van Kollhoff heeft daarentegen volgens de jury juist gewerkt als 'een waardevolle eye-opener voor de sterk op het modernisme georiënteerde Nederlandse architectuur'. De jury constateert daarnaast dat de 'door Kollhoff voor het voetlicht gebrachte thema’s als de sculpturale en tectonische potentie van een monolitische bouwmassa en de architectonische schaalsprong naar het superblok, inmiddels duidelijk hun sporen hebben nagelaten in de Nederlandse bouwpraktijk.'

Toegegeven, juist omdat we voornamelijk traditioneel georiënteerde architecten uit het buitenland halen – we hebben ze zelf blijkbaar niet – moest deze jury die gevraagd was een buitenlander te selecteren bijna wel uitkomen op een kritiek op het Nederlandse modernisme (hoewel ze natuurlijk ook het belang van de buitenlandse bijdrage aan de Nederlandse architectuur had kunnen relativeren). Uit het rijtje buitenlanders is Kollhoff zeker niet de minste kandidaat, maar Piano, Libeskind, Erskine of zelfs Rossi waren ook mogelijk geweest. De wellust waarmee jury's in Nederland het zweepje over de huidige modernistische architectuur in Nederland menen te moeten leggen begint op te vallen. Bovendien halen ze oude koeien uit de sloot. Ooit was er misschien wel wat af te dingen op ons modernisme, maar daarmee is sinds Koolhaas' symposiumvraag 'Hoe modern is de Nederlandse architectuur?' toch al lang afgerekend. Inmiddels is er een nieuwe generatie jonge architecten in Nederland actief geworden die amper is beïnvloed door de geïmporteerde buitenlandse architecten en die evenmin beschuldigd kunnen worden van het gemakkelijk kopieren van het jaren twintig modernisme dat hun onderwijzers ze voorschotelden. Kan dat gratuite debunken van de eigen moderne traditie in Nederland eindelijk eens stoppen?