Recensie

De Nijl Architecten in NAi

‘Als we huizen bouwen, praten en schrijven we’. Onder deze subtitel, een citaat van de filosoof Ludwig Wittgenstein, presenteert het NAi tot en met 1 november een ‘autobiografische’ tentoonstelling van het architectencollectief De Nijl.

Er is in Nederland geen bureau te vinden waarbij de praktijk van het bouwen zo direct is verbonden met onderzoek en onderwijs als bij De Nijl. Er is ook geen bureau dat zich over een lange periode zo principieel met de problematiek van het bouwen in stadsvernieuwingswijken en de zinvolle verwerking van de open en gesloten stadsconcepten heeft bezig gehouden. Meer dan genoeg stof voor een interessante, diepgravende tentoonstelling dus.

‘De traditionele monografie, of het nu een boek of een tentoonstelling betreft, bestaat niet meer’, met die woorden opende Kristin Feireiss haar introductie van de tentoonstelling. De vorm waarbij een geleerde, al dan niet objectieve buitenstaander het werk van een architect keurig op een rijtje zet en een plaats in de architectuurgeschiedenis geeft, heeft volgens haar afgedaan. De tentoonstelling en het begeleidende boek over het werk van De Nijl moet dan ook worden gezien als een ‘autobiografie’ die in samenwerking met curator Bernard Colenbrander, vormgever Karel Martens en historicus Ed Taverne tot stand is gekomen. Alsof Taverne deze opmerking direct wilde logenstraffen vervolgde hij deze introductie met een diepgravende lezing waarin de positie van De Nijl in het recente denken over en bedrijven van architectuur en stedenbouw nauwgezet besproken werd. Deze lezing was voor het publiek dat vooral naar de drank en borrelnootjes verlangde natuurlijk veel te lang en te diepgravend. Jammer dus dat deze niet volgens de traditionele monografievorm voorin het begeleidende boek is afgedrukt. Vooral ook omdat de tentoonstelling zelf amper inzicht geeft in de betekenis en de reikwijdte van het werk van De Nijl.

Het is na tien jaar architectuurtentoonstellingen in het NAi zo langzamerhand wel duidelijk aan het worden dat het moeilijk, zo niet onmogelijk is om theoretisch georiënteerde architectuur door middel van het tonen van beelden (tekeningen, maquettes, schetsen) zinvol over te brengen. Ook de tentoonstelling over De Nijl maakt weinig duidelijk over datgene waardoor het bureau vooral de bijzonder aandacht verdiend: de koppeling tussen onderwijs, theorie en bouwpraktijk. Teksten als behang aan de muur hangen zijn daarvoor natuurlijk geen oplossing. Het bezorgt de bezoeker geen inzicht, hooguit een stijve nek. En zelden zal een tentoonstellingsbezoeker zich midden in de zaal aan de tafel geconcentreerd aan het lezen van een tekst zetten. Gezien de jarenlange betrokkenheid van de meeste De Nijl ontwerpers bij het (Delftse) onderwijs zou het de moeite waard zijn geweest om nu eens te onderzoeken wat de invloed van deze bouwende, schrijvende en onderzoekende onderwijzers op de jonge bouwpraktijk is geweest. Het onderwijs en onderzoek van met name Henk Engel en Leen van Duin (tot 1992 lid van de Nijl) en meer recent Endry van Velzen (vanaf 1993 lid) zal toch wel enige sporen hebben nagelaten. En als dat niet zo zou zijn, dan was dat ook de moeite van het bespreken waard geweest. Maar noch de tentoonstelling, noch het boek belichten dit aspect.

Wat op de tentoonstelling ontbreekt wordt in het boek goedgemaakt: een overzicht van het werk (inclusief teksten en onderzoek) van De Nijl sinds de oprichting in 1981, aangevuld met een kort interview met de ontwerpers, een essay van Harm Tilman, uitgebreide documentatie van de drie onderdelen van de tentoonstelling en voorafgegaan door een reeks tekst/beeldcitaten waarin De Nijl haar bronnen blootlegt. Jammer alleen dat die traditionele monografie-inleiding van Taverne ontbreekt, misschien toch nog als aparte bijlage mee leveren?