Recensie —

Van Eesteren, Van Lohuizen, O.M.A., MVRDV en Nassuth

Marina van den Bergen

Onlangs ontving Siegfried Nassuth de oeuvreprijs 1998 van het Fonds voor Beeldende Kunst, Vormgeving en Bouwkunst. De prijs, fl. 50.000,- en een monografie over het werk van de prijswinnaar, wordt om de twee jaar toegekend aan een architect of stedenbouwkundige waarvan het werk van uitzonderlijk belang is voor de Nederlandse bouwkunst. Mariëtte van Stralen schreef de monografie over het werk van Nassuth.

Siegfried Nassuth (1922, Indonesië) studeerde na de Tweede Wereldoorlog aan de TH Delft waar hij onder anderen les kreeg van C. van Eesteren en Th. K. van Lohuizen. Na zijn studie ging Nassuth in 1959 als stedenbouwkundige in bij de afdeling Stadsontwikkeling van de gemeente Amsterdam werken. Nassuths opvattingen over de taak van een stedenbouwkundige: bewustzijn van allerlei maatschappelijke processen, gedegen kennis van wetten en regels, en het vaststellen van normen op basis van informatie die op objectieve wijze is verkregen, sluiten nauw aan bij de opvattingen van zijn leermeesters Van Eesteren en Van Lohuizen.

In 1962 werd binnen de afdeling Stadsontwikkeling een team geformeerd dat zich bezig moest houden met de stedenbouwkundige plannen voor de nieuw te bouwen Bijlmermeer. Nassuth werd benoemd tot projectleider van dit Bijlmermeerteam. Hij bleef bij de planvorming rondom de Bijlmermeer betrokken tot aan zijn pensionering in 1981.

Het oeuvre van Nassuth bestaat dus uit één, weliswaar heel groot, project. De publicatie gaat dan ook alleen over de Bijlmermeer. Over Nassuth zelf komt de lezer weinig te weten. En ook wordt geen aandacht besteed aan zijn rol binnen het Bijlmermeerteam. Van Lohuizen mag dan wel hebben gezegd dat er sprake is van een ideale samenwerking wanneer de medewerkers na afloop van een project niet meer kunnen uitmaken wat precies ieders aandeel in de totstandkoming is geweest, echt bevredigend is dit niet. Vooral niet wanneer één persoon van dat team op basis van dat ene project een prijs krijgt toegekend.

Wat ook in de publicatie ontbreekt, zijn de verschillen in opvatting over het stedenbouwkundigontwerp voor de Bijlmermeer binnen de dienst Stadsontwikkeling. Mevrouw J.H. Mulder, het hoofd van de dienst, gaf, evenals als de adviseur van de dienst Van Eesteren, de voorkeur aan een wijk die minder grootschalig van opzet zou zijn, waarbij de verschillende functies meer zijn vermengd en met meer etage- en laagbouw. Interessant zou het zijn geweest om te lezen hoe het team onder leiding van Nassuth toch hun plannen kon doorvoeren en wat daarbij de rol van Nassuth is geweest. In plaatst daarvan wordt het plan van O.M.A. uit 1986-87 voor de Bijlmermeer besproken. (Rem Koolhaas noemde de Bijlmer al aan het einde van de jaren zeventig ‘het enige geslaagde sociale experiment van de wederopbouw’.)

De auteur maakt bovendien nog een zijsprong naar MVRDV. MVRDV gebruikt net als Nassuth een analytische methode bij het maken van een ontwerp. Dit levert interessante projecten op en laat zo zien, aldus de auteur, dat de ontwerpmethode nog steeds actueel is, of weer actueel is. Verschil is er natuurlijk wel; Nassuth paste de methode toe om orde te scheppen, terwijl MVRDV de methode gebruikt om chaos te genereren.

De Bijlmermeer maakt een tweede jeugd door en staat de laatste tijd in een positieve belangstelling, de ontwerpmethode die er aan te grondslag lag blijkt actueel te zijn en het stedenbouwkundige brein ontvangt een prijs voor het project, wordt het geen tijd voor een echt boek over de Bijlmermeer of anders een herdruk van Mentzels boek uit 1989?