Nieuws —

Van wie is de ruimte in Nederland?

Allard Jolles (Cobouw)

Ha! Het is zover! Nederland kan weer rustig slapen. De ruimte is niet meer van de planologen! Heerlijk nieuws, en het komt uit betrouwbare bron. Het is de titel van één van de essays in het nieuwe Jaarboek Landschapsarchitectuur en stedebouw in Nederland 97 – 99. De ruimte is niet meer van de planologen. Da’s mooi, maar van wie dan wel? Van ons? Of van de buren? Is dit eigenlijk wel goed nieuws? Na lezing van het jaarboek kan niet anders geconcludeerd worden dan dat er op z’n minst een flinke mentaliteitsverandering bij de beroepsgroep nodig is. Maar hebben we dat niet al vaker geprobeerd?

Mooi

Het jaarboek Landschapsarchitectuur en Stedebouw in Nederland is voor de derde keer verschenen en is gelijk van opzet aan de vorige twee edities. De commissie heeft dit keer 38 projecten geselecteerd die voorbeeldig zijn voor Nederland, variërend van het ontwerp voor een kleine tuin tot een stedenbouwkundig plan voor duizenden woningen. Is dat niet het vergelijken van appels en peren? Nee, want het gaat hier om de 'state of the art van de vakbeoefening'. De inbreng van opdrachtgever en regelgever is buiten beschouwing gelaten. 'Programmatische, strategische en bestuurlijk aspecten waren voor de selectiecommissie (…) alleen aan de orde voor zover de ontwerper ze zelf ontworpen had'. De essays in het boek gaan juist wel over programma, strategie en bestuur. Bij elkaar levert dat een goed beeld op van de stand van zaken van het vak. Slechts één onderwerp krijgt wat weinig aandacht: geld.

Kapitaal

Van de vier stromen die de wereld – en dus ook de ruimtelijk ordening – beheersen (mensen, goederen, gegevens en geld), is kapitaal de belangrijkste en het moeilijkst beïnvloedbaar. Uiteindelijk gaat het er om iets goeds en duurzaams te maken en dat kost geld. Stedenbouw is dus vooral het genereren van geldstromen uit verschillende bronnen naar plaatsten waar dat nodig is. En hoe zorg je ervoor dat iemand z'n portemonnee trekt: door een mooi plan te maken. En daar staan er 38 van in het jaarboek. Het is goed dat de selectiecommissie van het jaarboek op zoek is geweest naar het mooiste plan. Het is en blijft de essentie van het vak. En tegelijkertijd ook de beste strategie. Ruime woningen met hoge plafonds zijn wat dat betreft belangrijker dan het instellen van een kwaliteitscommissie die achteraf kijkt of de huizen wel 'marktconform' zijn.

Omslag

Iedere generatie stedenbouwers denkt 'het' te weten. In de jaren zestig was het de grootschalige uitbreiding in het groen (de Bijlmer bijvoorbeeld), in de jaren zeventig de knusheid van het woonerf en nu het integrale grootschalige plan, maar dan zodanig verpakt en opgeknipt in deelprojecten dat het megalomane karakter zo min mogelijk opvalt. En alles is natuurlijk efficiënt, duurzaam, bereikbaar, compact en transparant. Goedbedoeld en ook zeker nuttig, maar het leidt wel de aandacht af van waar het echt om gaat. De kern van het vak stedenbouwer wordt geraakt in een uitstekend artikel waarmee het jaarboek opent, geschreven door Riek Bakker, Erik Pasveer en Anna Vos. De uitdaging van het opdrachtgeverschap is de titel, maar het gaat over veel meer. Wie neemt de plek van de planoloog in? Twee omslagen zijn er nodig. Ten eerste moeten we van een 'bodembedekkende bestemmingsplanplanologie naar een conditionerende structuurplanologie'. Het initiatief daarvoor komt uit de wereld van het kapitaal, zo stellen de auteurs van het essay, die 'vanuit gezond eigenbelang' eisen stellen 'aan het infrastructurele raamwerk alvorens ook werkelijk te investeren in het vastgoed'.

Ruimte

De tweede omslag is die van een 'compromis- en compensatiegerichte onderhandelingsplanologie naar het maken van, staan voor en vasthouden aan heldere (politieke) keuzes: dít willen we, en wel daarom, dus moet dat gebeuren'. Lastig te bereiken die omslag, zo erkennen ook de auteurs, in onze 'overgedemocratiseerde samenleving'.

En, zo vragen zij zich af: 'wie is de eigenaar van het ruimtelijke probleem?' De planologen niet meer, het zijn de opdrachtgevers. Die moeten onder andere de koppeling van inhoud en proces waarborgen en gerichte samenwerkingsverbanden zoeken. 'De kwaliteit van Nederland ligt in het aanbod aan verschillende identiteiten', zo besluiten Bakker, Pasveer en Vos hun verhaal, en daar moeten opdrachtgevers scherp op blijven letten. Niet te veel verschillen op de kleinere schaal en geen eenvormigheid op de grotere schaal. De grootste vijand is de wil ons land 'eerlijk en democratisch met één type ruimtelijke deken te bedekken'. De tijd lijkt rijp voor een opleiding voor opdrachtgevers, het wordt zo langzamerhand gevaarlijk om de praktijk leermeester te laten zijn. Misschien iets voor werkloze planologen?