Nieuws —

Expo 2000 – de andere landen

Piet Vollaard

De architectuur van de afzonderlijke paviljoens op het Expo2000 terrein is – zoals bij voorgaande Expo’s ook al het geval was – van ‘wisselende kwaliteit’. Veel daarvan kan maar beter onbesproken blijven. Toch zijn er voor architectuurliefhebbers behalve het Nederlandse paviljoen nog wel wat krenten uit de pap te halen. Een paar hoogtepunten.

Over het interieur van de verschillende paviljoens valt weinig te zeggen. Ten eerste waren veel interieurs tijdens de persdag een week voor de opening nog niet gereed of gesloten. Maar uit de presentaties die wel bezocht konden worden, liet zich het vermoeden afleiden dat een paar bezichtigingen voldoende zijn om te weten waar de rest op neer komt. De 'media tuin' van het Duitse paviljoen spant wat betreft multimediaal geweld waarschijnlijk de kroon: circa twintig enorme bewegende plasma schermen in een zaal ter grootte van een half voetbalveld. Het is me wat, erg veel vorderingen zijn er op het gebied van multimedia-presentaties sinds de dagen van het Philips-paviljoen van Le Corbusier (1958) eigenlijk niet gemaakt. (Le Corbusier maakte in samenwerking met Xenakis een paviljoen voor de wereldtentoonstelling in Brussel, waarin architectuur, beeld en geluid tot een 'totaalkunstwerk' waren samengevoegd)

Bij het bezichtigen van de landenpaviljoens valt onmiddellijk een wetmatigheid op: de architectonische aantrekkingskracht is omgekeerd evenredig met de omvang van het land. Zelf bezocht ik alleen de Europese zone, maar het principe geldt waarschijnlijk ook voor de Aziatische zone. De paviljoens van Duitsland (architect Josef Wund), Engeland (door het Duitse bureau Goldbeckbau) en Frankrijk (Francoise Jourda) zijn, in elk geval wat betreft het exterieur, ronduit teleurstellend. De presentatie in het Franse paviljoen was evenmin om naar huis te schrijven, het Engelse paviljoen was gesloten.

De paviljoens van een aantal kleine landen zijn veel aardiger en ze zijn snel te bezoeken – een niet te onderschatten voordeel voor wie alles in een of twee dagen wil zien.

Het Finse paviljoen van het architectenechtpaar Sarlotta Narjus en Antti-Matti Siikala is een eenvoudige rechthoekige doos van 'ecologisch' geïmpregneerd hout. De tentoonstellingsruimten bevinden zich aan weerszijden van een atrium met een levend berkenbos.

Wat betreft het thema natuur als bouwmateriaal is het paviljoen van Roemenië het eenvoudigst en daardoor het meest overtuigend: vier uit steigermateriaal opgebouwde en met beplanting gevulde 'groene muren' met een eenvoudig dak. Voor de hand liggend, maar daarom niet minder effectief.

Het Expo thema natuur en recycling / hergebruik is niet in alle paviljoens even overtuigend verwerkt. Hergebruik is het hoofdthema van het Zwitserse paviljoen van Peter Zumthor. Een murenlabyrint van los gestapelde houten balken die met spandraden bij elkaar gehouden worden: 3000 kubieke meter biomassa, direct klaar voor hergebruik.

Het paviljoen van Hongarije heeft – evenals het Nederlandse paviljoen – voorafgaand aan de opening veel publiciteit gekregen. De twee enorme houten schalen van architect Gyrgy Vadsz zijn deze aandacht inderdaad waard.

De kleine paviljoens van de Baltische staten Estland, Letland en Litouwen zijn opvallend hedendaags en sympathiek. Er wordt blijkbaar goed gekeken naar de westerse architectuurbladen.

Erg veel werk van bekende architecten is er overigens niet te vinden. Ontwerpersnamen van de paviljoens zijn sowieso überhaupt in de officiële overzichten of op de website van Expo2000 moeilijk te vinden. Álvaro Siza is verantwoordelijk voor het Portugese paviljoen; een klassiek moderne compositie met wanden van kurk, natuursteen en tegelwerk (exportproducten van Portugal.) Verder is het, niet door mij bezochte, paviljoen van Japan van Shigeru Ban in samenwerking met Frei Otto, dat grotendeels is gebouwd uit papier, ongetwijfeld de moeite waard.

Twee bekende namen komen nog voor onder het rijtje inrichters van tentoonstellingen in de Themahallen: Jean Nouvel is verantwoordelijk voor het thema Mobiliteit en Toyo Ito voor gezondheid.

Deze twee presentaties waren vorige week nog niet te bezoeken, maar waar een deel van de pers nog wel in mocht was een deel van de thematentoonstelling Basic Needs, waarvoor het Amsterdamse Tropeninstituut de Indiase filmmaker, historicus, tentoonstellingsmaker en kunstenaar Rajeev Sethi als inrichter uitnodigde. Deze tentoonstelling was wat mij betreft de verrassing van deze Expo. Tegenover de leegte van de hightech presentaties en het 'in your face' commercialisme en consumentisme van de Expo als geheel plaatst Sethi een overdonderende lowtech betrokkenheid. We zullen er in een later Expo-bericht op terugkomen. dan hopelijk ook aandacht voor Remaking-NL, de Nederlandse tentoonstelling die buiten het Expo terrein in Hannover plaats vind.