Nieuws —

Geëngageerde architectuurfotografie?

Marina van den Bergen

Ter afsluiting van de expositie ‘Van registratie tot manifest. Fotografie in het Nederlandse architectuurtijdschrift’ vond woensdag 3 mei in het Nederlands Architectuurinstituut een discussie plaats over de beeldcultuur in het Nederlands architectuurtijdschrift of eigenlijk de functie van de architectuurfoto en de wijze waarop tijdschriften en architecten omgaan met deze foto’s.

Voor de discussie waren Arjen Oosterman (Archis), Michel Boesveld (architectuurfotograaf), Bjarne Mastenbroek (architect) en samenstelster van de tentoonstelling Anouk de Wit uitgenodigd. Alleen hielden een korte inleiding. De Wit sprak over de ontwikkeling van de architectuurfotografie en het gebruik daarvan in de kritische architectuurtijdschriften. In de 19e eeuw was het streven gebouwen zo herkenbaar mogelijk te fotograferen. Men fotografeerde daarom vooral gevels. Vanaf de jaren ’20 van de 20e eeuw worden ook interieurs gefotografeerd en verschijnt in het tijdschrift De 8 en Opbouw sociaal geëngageerde fotografie. Architectuurfotogafie is niet meer alleen documentatiemateriaal maar wordt ook ingezet om een verhaal te vertellen, een statement te maken. En ten behoeve van dat verhaal worden ook niet-architectuurfoto’s afgedrukt, zoals de inmiddels bekende foto’s van spelende kinderen en sportende mensen. Na de Tweede Wereldoorlog vindt een humanisering plaats van de architectuur en stedenbouw wat zijn weerslag vindt in bladen als Forum met foto’s als die van Dogonnederzettingen. In de jaren zeventig vindt een cultuuromslag plaats, ook in de beeldkeuze van de tijdschriften. Foto’s van idyllische Marokkaanse berberdorpen maken plaats voor foto’s van het rauwe stedelijk leven (krakersrellen) en grauwe nieuwbouwwijken. Vanaf de jaren tachtig vervagen binnen de architectuurfotografie steeds meer de grenzen tussen documentatie, registratie en de foto als kunstwerk.

Architectuurfotografie wordt steeds meer een zelfstandig medium, een medium dat door de architect wordt inzet als reclame(propaganda)materiaal. Beeld is sterker dan het woord stelde Arjen Oosterman daarom plaatst Archis ook met enige regelmaat niet architectuurfoto’s om het verhaal kracht bij te zetten. Oosterman signaleerde een trend dat architectuurtijdschriften steeds vaker ‘his master’s voice’ worden. Architecten nemen steeds meer zeggenschap over het beeldmateriaal van hun projecten. Tijdschriften zijn in de meeste gevallen afhankelijk van het beeldmateriaal dat de architect aanlevert. Architecten bepalen dus wat er, wat beeld betreft, gepubliceerd wordt. Zo houden critici en architecten elkaar in een houdgreep, beiden zij afhankelijk van elkaar geworden, onafhankelijke kritiek is niet meer mogelijk. Oosterman vertelt over het echtpaar Van Eyck die hoogst persoonlijk op Archisredactie langs kwam om het beeld en de lay-out te bepalen wanneer een project van hen gepubliceerd zou worden. De Van Eyckjes waren gevreesd om dit soort acties, maar ze waren ooit een uitzondering. Als tijdschrift zelf een opdracht verstrekken aan een fotograaf is ook niet altijd de oplossing om inmenging van de architect te ontlopen. Toen de Archis Michel Boesveld de opdracht gaf een project van Wiel Arets te fotograferen stuitte dit op veel weerstand van de architect. Deze wilde het liefst de foto’s van zijn huisfotograaf Kim Zwarts afgedrukt zien, uiteindelijk kreeg Boesveld wel toestemming van Arets om het project te fotograferen. Oosterman pleitte ervoor dat architectuurfotografen hun opdracht – van architect of tijdschrift – op een intellectuele manier benaderen en zo met het beeld architectuurkritiek beoefenen.

Michel Boesveld vond dit een onzinnige opmerking. Zijn ervaring was dat fotografie vaak ondergeschikt werd gemaakt aan de inhoud van het blad. Zijn mening was dat fotografen erg afhankelijk zijn van de grafisch vormgever en de beschikbare financiële middelen, een kleine foto is immers goedkoper dan een grote foto. Een beleid en een professionele beeldredacteur ontbreken bij de meeste architectuurtijdschriften. Foto’s die subtiel zijn, met zorg gemaakt zijn, worden soms resoluut afgesneden. Fotografen betichten van weinig creativiteit vindt hij daarom onzin.

Illustratief is het relaas van een fotografe uit de zaal. Zij werd gevraagd binnen een dag een reeds gemaakte foto aan de Archisredactie te leveren. Uitdrukkelijk vermelde ze erbij dat de foto niet versneden mocht worden. Groot was dan ook haar ontzetting toen ze het nummer onder ogen kreeg en zag dat de foto toch versneden was. Met trillende stem vertelde ze dit verhaal maar toch belde ze niet de redactie omdat ze toch ook wel vereerd was om in de Archis te staan.

Niet alleen architecten en critici houden elkaar dus in een houdgreep. Het lijkt erop dat (een kleine groep top-) architecten, mede door de concurrentie tussen de bladen, op dit moment de troeven in handen heeft waardoor het architectuurtijdschrift steeds meer een glossy reclamefolder voor dit deel van de beroepsgroep dreigt te worden. Om uit deze houdgreep te komen zouden redacties en fotografen zich misschien kunnen richten op de overige 90% van deze beroepsgroep.