Feature —

Organiseren onder de grasspiegel.

Martijn Oosterhuis

Afgelopen vrijdag werd aan de Maliebaan 16 in Utrecht het organisatie-adviesbureau Andersson Elffers Felix (AEF) opengesteld voor geïnteresseerden. Het architectuurcentrum Aorta had de Utrechtse architecten ‘scene’ uitgenodigd om eens te kijken hoe een ondergronds gebouw op een gevoelige stadslocatie tot stand komt. Wijn en borrelhapjes waren aangerukt om in de stemming te komen en iedereen kreeg een full color boekje, uitgegeven door opdrachtgever en architect, om nog eens te kunnen refereren. Francien Houben hield een praatje over de Utrechtse projecten van Mecanoo.

Het 'huis om in te werken' voor AEF heeft heel wat voeten in de aarde gehad. Vanaf 1996 is er door Mecanoo aan gewerkt. In een proces van voortschreidend technisch en organisatorisch inzicht heeft het heldere architectonische concept stand gehouden. De houding van de gemeente Utrecht ten aanzien van dit project roept wel een vraagteken op. Na langdurige procedures heeft de gemeente eenmalig toestemming gegeven voor een uitbouw in het binnengebied achter de villa's van de Maliebaan. Voorwaarde was wel dat er vanaf de straat en vanuit de lucht vrijwel niets te zien is van de uitbouw. Jammer dat het zo struisvogelachtig moet, want je mag van architecten als Mecanoo toch verwachten dat zij op een gevoelige plek ook een passend bovengronds gebouw kunnen realiseren. Bedrijven als AEF maken wezenlijk onderdeel uit van de stedelijke cultuur. Is het dus niet vanzelfsprekend dat dergelijke bedrijven de ruimte krijgen voor uitbreiding ? Tegelijkertijd heeft de gemeente het project als pilotproject bestempeld. Trots op het initiatief, maar bang om precedenten te scheppen. De meer locaal opererende architecten zagen hoe Mecanoo de wensen en de regels creatief heeft verenigd.

Van de nood een deugd gemaakt. De architecten van Mecanoo hebben zich niet voor één gat laten vangen. Dat de villa de kleinste bleek te zijn aan de Maliebaan, maar tegelijkertijd de grootste tuin te hebben, heeft Mecanoo sterk benut. De villa is gerestaureerd en grondig verbouwd. De voormalige kamers- en gangenstructuur heeft plaats gemaakt voor een lichte structuur van spreekruimtes en werkplekken. Het centrale trappenhuis is een ontmoetigsplek geworden, waarbij de trap als relict uit een eerdere verbouwing, een nieuwe status heeft gekregen. Op de derde verdieping is een 'uitkijkpostje' bijgebouwd, met een enigszins dramatische zonneklep. De drie vloeren van de villa hebben ieder hun eigen bedekking gekregen: van boven naar beneden r.v.s-platen, pregnant blauwe vloerbedekking en een scheepsdekvloer van eiken en wengé. Die laatste beviel zo goed, dat ook de ondergrondse uitbouw ermee bedekt is. Eigenlijk jammer, want nu is het minder duidelijk dat het binnendek in één vlak ligt met de houten terrassen buiten. Onder de grond had een steenachtige vloer moeten liggen.

Bij binnenkomst vanaf de Maliebaan is de verwondering groot. In één oogopslag blijkt de kleine villa van binnen groter lijkt dan buiten (the giant Suzuki), blijkt er een oneindige tuin achter te liggen met een opgetilde horizon (als in Franse landschapstuinen) en lijkt de wereld zich om te draaien in een lichte, hoge ruimte onder de 'grasspiegel'.

Onder de grond krijg je bij AEF geen benauwd gevoel of tweederangs ruimtes. De verhouding tussen binnen- en buitenruimte is erg prettig. Het is er stil en de patio's bieden blikken op de lucht, de bomen en de oude villa. Dat moet voor het maken en bespreken van organisatie-adviezen toch een mooie inspiratiebron zijn. De mate waarin het bureau georganiseerd is (het is hun vak), is verbeeld in kastenwanden die in het hele bureau voorkomen. Alles wat het beeld zou kunnen verstoren is in kasten aan het oog onttrokken. Zelfs de vieze vaat gaat achter de deurtjes. Zonder etiketten en met gevariëerd ingezaagde handgrepen doen de kastenwanden geheimzinnig aan, zeker onder de grond.

Ondergronds bouwen is een trend, ook gelet op de hoeveelheid architectuurprijsvragen over dit onderwerp. Het is dé manier om ruimte intensief te gebruiken, zo wordt algemeen geredeneerd. Technisch is er veel mogelijk en politiek is het ingraven een 'hot item'. Bij AEF is de trend tot een uitvoering gekomen en werkt het heel verleidelijk. Toch is het intensief gebruik van de ruimte relatief. De intensiteit komt erg onder druk te staan door de extra investering in technische hoogstandjes, hogere binnenruimtes en de noodzaak om patio's te maken. Meer kubieke meters materiaal en lucht. Deze oplossingen kosten veel inspanning van de opdrachtgever en de architect en zullen als gevolg daarvan waarschijnlijk duurzamer zijn dan conventionele gebouwen. Met een betonbak in de achtertuin blijft het altijd mogelijk om het gebouw aan te passen aan veranderingen in gebruik. AEF heeft zich op een degelijke manier als voorbeeld geprofileerd voor binnenstedelijke uitbreiding. Hopelijk wordt dit voorbeeld gevolgd door meer eenmalige pilotprojecten.