Feature —

Kunstkritiek in crisis?

Marina van den Bergen

Kunsthistoricus Camiel van Winkel ontving afgelopen vrijdag de Jan Bart Klasterprijs voor de kunstkritiek. Deze prijs wordt eens in de twee jaar uitgereikt en heeft tot doel de discussie over de kwaliteit van de Nederlandstalige kunstkritiek op het gebied van beeldende kunst, bouwkunst en vormgeving te bevorderen. Volgens Geert Dales, een van de sprekers op de bijeenkomst, is bij recensenten sprake van identiteitscrisis en rolverwarring.

Programmaonderdeel van de feestelijke uitreiking was een lezing geven door Geert Dales – wethouder van financiën van Amsterdam en voormalig directeur van het Fonds Beeldende Kunst Vormgeving en Bouwkunst. Dales sprak over de identiteitscrisis en rolverwarring die critici ten deel vallen. Hij ergert zich met grote regelmaat aan recensies in dag- en weekbladen: 'de toonzetting is vaag en cryptisch en doorspekt met 'jargon' dat slechts voor een relatief kleine groep ingewijde kunstspecialisten toegankelijk is. Het oordeel over de tentoonstelling – voorzover al aanwezig – kenmerkt zich door onhelderheid. Het informatieve gehalte van een dergelijke bespreking, die toch bedoeld is voor de geïnteresseerde lezer die op intelligente en liefst aansprekende wijze geïnformeerd wil worden, is dan ook vaak minimaal'. De oorzaak hiervan moet volgens hem gezocht worden in het feit dat recensenten recenseren wat zij zelf niet presenteren. 'Enerzijds pretenderen critici een hoogwaardige, immer kritische bijdrage te hebben aan de wording en erkenning van kunstwerken, anderzijds vervullen zij de rol van de boodschapper, de informant, de vertolker, de uitlegger, de verkoper van andermans produkten'. Er is daarom geen sprake van crisis in de kunstkritiek maar van een identiteitscrisis bij de critici. Critici willen volgens Dales enerzijds eigenstandige kunstwerken scheppen en anderzijds kunnen zij niet bestaan zonder het kunstwerk. 'Intussen is de journalistieke kunstcriticus geen echte journalist, de beoefenaar van de essayistische kunstkritiek geen echte schrijver en de theoreticus zelden een echte wetenschapper. En kunstenaar zijn zij geen van allen'. Het is daarom volgens Dales terecht dat de kunstcritici niet in aanmerking komen voor beurzen en subsidies. 'Onafhankelijk kritische en gezaghebbende oordeelsvorming over beeldende kunst en ondersteuning door de overheid gaat slecht samen', aldus Dales.

Het beeld dat Dales schets van kunstcritici en kunstkritiek is bijna karikaturaal. Juist de laatste tijd verschijnen in de (dag-)bladen zeer leesbare kritieken. Maar dat er ergens iets mis is in de wereld van de (kunst)kritiek valt niet te ontkennen: het Nederlandse architectuurtijdschrift met werkelijke architectuurkritieken, de Archis, wordt bedreigd met opheffing en ook de genomineerden en de prijswinnaar voor de Jan Bart Klasterprijs zijn opmerkelijk. Tot de genomineerde behoorde Janneke Wesseling (NRC Handelsblad) en Domeniek Ruyters (Metropolis M) maar ook Willem Jan Neutelings voor zijn bijdragen aan de Archis. De bijdragen van de Neutelings dragen ontegenzeggelijk een eigen standpunt uit, de behandeling van het onderwerp is origineel, ze getuigen van visie en een eigen stijl – allen criteria voor de toekenning van de prijs – maar in hoeverre zijn columns 'een bijdrage betekenen voor de mate waarin begrip voor het onderwerp bij een zo breed mogelijk publiek' wordt gekweekt, is de vraag en ook in hoeverre ze bijdragen aan de discussie of meningsvorming. Nog opmerkelijker was dat de jury bestaande uit Hans van Beers (Raad van Bestuur van de NOS), Kees Vuyk (directeur faculteit beeldende kunst en vormgeving Hogeschool Constatijn Huygens, Kampen), Tineke Reijnders (voorzitter AICA Nederland) en Guido Vereecke (directeur De Brakke Grond, Amsterdam), besloot de prijs toe te kennen aan Camiel van Winkel. Van Winkel, die door de jury zelf werd voorgedragen, ontvangt de prijs voor zijn publicatie Moderne leegte. Over kunst en openbaarheid (SUN 1999). 'Het boek is het resultaat van een poging om interpretatiemodellen voor hedendaagse beeldende kunst af te leiden van haar gebouwde omgeving. Het vraagstuk van de identiteit van het kunstwerk en zijn relatie tot de openbaarheid wordt daarbij gekoppeld aan bepaalde radicale concepten uit de stedenbouw en de architectuur en omgekeerd worden dilemma's omtrent de architectonische en stedenbouwkundige programmering van de openbare ruimte verbonden met conceptuele 'oplossingen' uit de beeldende kunst', aldus Van Winkel in de inleiding van zijn boek. De jury stond voor een probleem bij het nomineren van Moderne leegte, de Jan Bart Klasterprijs is immers niet bedoeld voor een boek maar voor artikelen. De oplossing voor dit probleem werd gevonden door de drie hofdstukken in het boek op te vatten als zelfstandige artikelen. In het juryrapport wordt vermeld dat een hoofdstuk als verkorte vorm als artikel in de Archis heeft gestaan. Van Winkel zelf schrijft in de inleiding dat hoewel de verschillende hoofdstukken met opzet relatief zelfstandig van karakter zijn, in het derde hoofdstuk de lijnen samen komen die in de eerste twee zijn uitgezet. Onafhankelijk van de kwaliteit van Moderne leegte lijkt deze kunstgreep van de jury een bevestiging van de identiteitscrisis en rolverwarring in de wereld van de kunstkritiek.