Nieuws —

In Nederland is alles super

Allard Jolles

Met voor Nederlandse begrippen veel tamtam zijn onlangs twee architectuurboeken gelanceerd die proberen te verklaren en te laten zien dat de Nederlandse architectuur, stedenbouw en landschapsarchitectuur aan het begin van de eenentwintigste eeuw tot het beste van de wereld behoren. Internationaal gewaardeerde architectuur, maar wel met een Nederlandse signatuur, zo stellen beide boeken. Het ene, Superdutch. De tweede moderniteit van de Nederlandse architectuur van Bart Lootsma vertelt het succesverhaal van twaalf Nederlandse superbureaus die, alfabetisch gerangschikt, hun beste projecten van de afgelopen tien jaar mogen laten zien. Het andere boek, Het kunstmatig landschap, Hedendaagse architectuur, stedenbouw en landschapsarchitectuur in Nederland, onder redactie van Hans Ibelings, doet hetzelfde met meer dan zestig bureaus (ook op alfabet) die hun toppers van de afgelopen vijf jaar mogen presenteren.

VoorpretHet gebeurt niet vaak dat er serieuze overzichten van de Nederlandse architectuur van nu verschijnen. De verwachtingen waren vlak voor de verschijning van beide boeken hooggespannen, de veelbelovende vooraankondigingen logen er niet om. In die van Het kunstmatig landschap stond: ‘omdat er zoveel meer aan de orde komt dan de al bekende projecten zal het inzicht en reflectie bieden, waardoor een diepgaand en samenhangend beeld ontstaat van de meest actuele ontwikkelingen op architectuurgebied in Nederland’. En de uitnodiging voor de boekpresentatie van Superdutch deed daar niet voor onder: ‘…de Nederlandse architectuur [krijgt]een historische achtergrond. [Lootsma] plaatst haar in de bredere context van de internationalisering die zich in alle geledingen van de samenleving en cultuur deed gevoelen’. Eindelijk twee boeken die over architectuur van nu gaan en proberen te verklaren wat de essentie is van het Nederlands architectonische ontwerp, wat de Nederlandse architecten beweegt en waarom zij bouwen zoals zij bouwen. Maar wat blijkt, nu de boeken zijn verschenen: tachtig procent plaatjes, waarvan vele al bekend, gelardeerd met teksten die óf niets aan de plaatjes toevoegen, óf niets nieuws vertellen.HetzelfdeDe tekst achterop de kaft van Superdutch is wat dat betreft heel eerlijk: ‘een presentatie van twaalf radicale ontwerpbureaus(…)’, en dat is het ook precies geworden, niets meer, niets minder. Maar is het ook een boek waar de Nederlandse architectuurliefhebber op zit te wachten?De twaalf bureaus in Superdutch staan allemaal in Het kunstmatig landschap, vaak met dezelfde projecten. Er zijn meer overeenkomsten tussen beide boeken: gelijksoortige vormgeving, ongeveer even dik, er wordt gebruik gemaakt van dezelfde fotografen (met voor beide boeken Christian Richters als hofleverancier), en zelfs, in Het kunstmatig landschap, een artikel van Lootsma, Architectuur voor een tweede moderniteit getiteld, waarin een voorversie van het openingsverhaal van Superdutch te herkennen valt. Ook zijn beide boeken gemaakt met subsidie van het Stimuleringsfonds voor Architectuur: die wisten kennelijk niet dat de boeken zo op elkaar zouden lijken. VaagBeide boeken zijn in hun poging de Nederlandse identiteit te vangen anders te werk gegaan. Lootsma gaat uitvoerig in op de twaalf bureaus, met een essay vooraf (twaalf pagina’s tekst, is dat nu de beloofde historische achtergrond?) en een tekst over de toekomst achteraf. Beide teksten roepen meer vragen op dan zij verklaren. Een voorbeeld: Lootsma beweert dat de huidige rijkdom in Nederland onbehagen oproept en dat de vrees bestaat dat onze voorspoed zal omslaan in tegenspoed, door zelfoverschatting. Is dat zo? Waar blijkt dat uit? De twaalf bureaupresentaties zijn wel geslaagd. Lootsma voelt zich leesbaar beter thuis in het beschrijven van architectuur en het samenvatten van relevante theorieën van de makers. Ook de foto’s en andere afbeeldingen zijn heel goed. De vormgeving deugt, al is ze soms iets te nadrukkelijk aanwezig. Aardig allemaal, maar wat al die bureaus kunnen en waar ze voor staan weten we nu wel, vooral uit andere (buitenlandse) boeken, de Nederlandse architectuurbladen en het Jaarboek. En waarom nu juist deze ‘nieuwe radicale’ bureaus? Nieuw? Rem Koolhaas? Tussen de twaalf genoemde bureaus zit maar één echte verrassing (Atelier Van Lieshout) en dat is te weinig.

KretenHet kunstmatig landschap behandelt het Nederlandse architectuurklimaat aan de hand van trefwoorden als consensus, extreme logica, subsidie-infrastructuur, hedonistische landschappen. In negen hoofdstukken ‘worden de hoofdlijnen en de achtergronden’ van ‘een van de levendigste ontwerpculturen van dit moment’ behandeld. Deze hoofdstukken zijn redelijk geslaagd en vooral beschrijvend van karakter. Wie pittige kritiek verwacht, komt bedrogen uit. Het debat, waarvan Lootsma beweert dat het in Nederland levendig wordt gevoerd, bestaat helemaal niet en wordt angstvallig uit de weg gegaan. Het boekenfeestje van de Nederlandse superontwerpers mag blijkbaar niet worden verstoord. In het hoofdstuk ‘Confrontaties’ bijvoorbeeld : journalist Bernard Hulsman van NRC Handelsblad en architect Kees van der Hoeven (over de architectuurpraktijk: ‘ontwerpen, opdrachtgever overtuigen, snel bouwen, foto’s maken, publiceren, scoren en wegwezen’), twee critici die vaker gelijk hebben dan ongelijk, worden niet serieus genomen, krijgen geen argumenten tegen en worden afgeserveerd met een bijzonder kinderachtige jij-bak. KloofDe presentaties van de meer dan zestig bureaus hebben ook allemaal een trefwoord gekregen, ‘cyclus’, ‘cocon’, of ‘stratego’. Daarbij staat dan een kort tekstje (dat soms zelfs te lang is: de beschrijving van IJburg spreekt van ‘drijvende ijsschotsen in het water’: een dubbel pleonasme!) in wollig architectenblabla. Een lukrake greep: ‘lichtheid compenseert de massiviteit van deze enclave van hoge dichtheid’, ‘extreem ondiepe woningen’, ‘radioactieve vorm’, ‘complexe ruimtelijkheid krijgt nieuwe dimensies’, ‘instant stedelijkheid’, ‘directe ervaring met het hier en nu’, ‘plein als platte koek’, en zo voort. Als we zo over architectuur blijven schrijven zal er altijd wel een kloof bestaan tussen publiek en architectuur. Architect VR van MVRDV meldde onlangs in het blad vrom.nl dat vooral toneel en film veel minder last van hebben deze kloof. Die constatering is juist, maar in die vakgebieden wordt gecommuniceerd in gewoon Nederlands. Jammer voor Van Rijs, maar ook Het kunstmatig landschap zal de situatie niet veranderen. Is de subsidie van het Stimuleringsfonds, toch ook bedoeld om architectuur ‘onder de mensen te brengen’ dit keer wel goed besteed? Er ging 63.000 gulden naar de Engelse versie van Superdutch, Het kunstmatig landschap toucheerde 180.000 gulden voor Engels én Nederlands samen. Heel verstandig, het maken van Engelse versies: misschien zit het buitenland wél op deze boeken te wachten?Foto’sGelukkig zijn de foto’s en afbeeldingen in Het kunstmatig landschap wel goed, zodat er toch nog wel iets te genieten valt. Maar mag dat wel van de auteurs? Ook aan de wijze van presenteren is namelijk een stukje tekst gewijd. Ibelings c.s. klagen een beetje dat de gelikte computerpresentaties van een project er tegenwoordig beter uitzien dan foto’s ná realisatie. Toch staan ze in het boek, soms zelfs als een gebouw in een ‘bijna af’ stadium gefotografeerd had kunnen worden. Waarom dan niet van gebouwen die bijna klaar zijn een foto van de ruwbouwfase uitgezocht? Voor sommige gebouwen is dat zelfs de meest fotogenieke fase. Het bouwproces is sowieso onderbelicht in dit boek, net als de voor stedenbouw onontbeerlijke politieke besluitvorming. De belangrijkste conclusie luidt dan ook: dit soort presentaties zegt vooral veel over het buitenste schilletje en weinig tot niets over opgave, ontwerpen, context, bouwen, planning en organisatie zonder welke dat schilletje onbestaanbaar is. Uiterlijk vertoon dus. Voor wie daarvan houdt, zijn Superdutch en Het kunstmatig landschap prima boeken. De professional is niet de doelgroep, maar zal deze keer, verleid door de mooie afbeeldingen en de aangename vormgeving, en gedreven door de Sinterklaas- of kerstgedachte, de weg naar de boekhandel wel weten te vinden.