Nieuws —

Alle dertien goed?

Allard Jolles

Op initiatief van het Stimuleringsfonds voor Architectuur zijn recent twee stedenbouwkundige studies verschenen. De stad in uitersten bevat een analyse van dertien Vinex-locaties en De Naoorlogse Stad behelst een onderzoek naar de uitbreidingsgebieden van na de Tweede Wereldoorlog. Beide boeken blijken een aardige aanvulling op alle recente literatuur over uitbreiden, inbreiden, verdichten, slopen en transformeren; kortom, over alles wat stedenbouwkundig Nederland nu bezighoudt. Het is toe te juichen dat het fonds zich zo laat zien en aantoonbaar meer doet dan het verstrekken van subsidies. Er is hier en daar wel wat aan te merken op het gebodene, maar beide boeken zijn zeker de moeite waard.

Vinex

In De stad in uitersten, Verkenningstocht naar Vinex-land worden dertien Vinex-wijken beschreven. De auteurs, twee medewerkers van RIGO Research en Advies en landschapsarchitect Lodewijk Baljon, zijn op zoek gegaan naar overeenkomsten, verschillen en soorten kwaliteit in Vinex-wijken. De samenstellers hebben de wijken bekeken en vergeleken, met elkaar en met zogenaamde ‘referentiewijken uit de voorafgaande generatie’. Welke wijken dat zijn geweest is helaas nergens in het boek terug te vinden.

‘Kwaliteit maken is meer dan geen fouten maken’, staat in de inleiding. Dat is vast waar, maar wat is dat, kwaliteit, zonder het belangrijke woord ‘goede’ ervoor? En kwaliteit waarvan? De dertien Vinex-wijken zijn ook geturfd op vijf kwaliteitsopvattingen: duurzaamheid, woningmarkt, emancipatie, cultuurlandschap en compacte stad. Een score van één ster betekende onvoldoende, vijf sterren goed. Maar wat je moet doen om vijf RIGO-sterren te scoren op bijvoorbeeld ‘emancipatie’, is eveneens nergens terug te vinden. De analyses verschillen onderling sterk en dat is niet zo vreemd: de ene wijk is bijna klaar, de andere nog een plak zand; over de ene wijk is heel veel informatie beschikbaar, over de andere relatief weinig. Appels en peren? Toch wel. Alle dertien Vinex-wijken goed? Nee.

Scherp

Het mooiste stuk in het boek is een essay van NRC journalist Bernard Hulsman, die op adequate wijze het negatieve imago dat aan de Vinex-wijken kleeft, ombuigt in bewondering voor de niet geringe prestatie die de Nederlandse lokale overheden nu aan het leveren zijn. ‘De kritiek op de Vinex-wijken moet dan ook niet zijn dat ze te weinig stedelijk zijn’, zo besluit Hulsman,’ maar juist dat ze te weinig suburbaan zijn: geef de Vinex-wijken de ruimte!’ Een terechte constatering, die wat mij betreft ook opgaat voor een groot aantal andere wijken in Nederland. Kijk om u heen: een goede suburb maken is al moeilijk genoeg.

De meeste analyses in het boek getuigen van kennis, ervaring en inzicht bij de samenstellers. Het stuk over IJburg bijvoorbeeld, hoewel niet op alle punten overtuigend, geeft in de titel haarscherp aan waar het om gaat: ‘politiek versus marktwaarde’. Politiek correct gedrag staat niet per definitie garant voor prettig wonen, concluderen de auteurs. Het in het boek gememoreerde voorbeeld van een basketveld onder appartementen kan wat betreft goed grondgebruik aardig scoren (politiek correct), maar werkt kostenverhogend (en de markt moet dat opbrengen!) terwijl het gestuiter van zo’n bal mogelijk niet voor iedereen een aangenaam geluid is.

Naoorlogs

De Naoorlogse Stad, een hedendaagse ontwerpopgave probeert aan de hand van een analyse van de structuur van Nederlandse wederopbouwwijken aanknopingspunten te vinden voor het huidige ontwerpwerk. De auteurs, Ad Hereijgers en Endry van Velzen hebben van hun analyse een aangenaam boekje gemaakt met mooie illustraties. Wat te doen met de wederopbouw? Injecteren met kleine stukjes Vinex? Grootschalige sloop/nieuwbouw? Geen onbelangrijke vragen: grootschalige sloop staat op veel plekken al op het programma, nog voordat men precies weet wat de gevolgen daarvan zijn. En, zoals de auteurs zelf ook schrijven: een heleboel problemen in de naoorlogse stad zijn veeleer gebaat bij sociaal-economische maatregelen dan bij stedenbouwkundige, laat staan architectonische. Fysieke veranderingen zijn ondersteunend van aard.

Wat te doen met al die wederopbouwhuizen, waarvan het standaardgezin met vader, moeder en twee kindjes de doelgroep was? De auteurs geven geen pasklare oplossingen en laten een aantal keuzes open. Dat is in dit geval geen bezwaar, maar maakt het boek vooral geschikt voor in dit soort gebieden werkende stedenbouwkundigen. Na lezing van het boek moeten ze nog wel zelf aan de slag: eerst interpreteren en dan toepassen. Genoeg reden om de ontwikkelingen van naoorlogse gebieden nauwlettend in de gaten te houden.

In De stad in uitersten neemt Hulsman een voorschot op nog meer onderzoek: ‘Waar moeten in godsnaam de toekomstige activiteiten waarvan we nu nog geen weet hebben, worden ondergebracht in de Vinex-wijken?’ Dat aspect hadden we in die wederopbouwwijken in ieder geval wél prima geregeld.