Feature —

Interdisciplinaire samenwerking: Opdrachtgever is groter probleem dan complexiteit opgave

Harrie van Helmond

In het kader van een openbare lezing aan de TUE op 2 april met als onderwerp interdisciplinaire samenwerking, hebben Christopher Nash en Heini Bossert hun plan en de organisatie van een uitbreiding van het vliegveld van Zürich uiteengezet. De positie van de architect in dergelijke complexe opgaven kwam uitgebreid ter sprake.

De 60 personen die voor de genoemde bedrijven samenwerken aan dit plan hebben hun gezamenlijke werkplek op het vliegveld en daardoor is het mogelijk dat, met enige moeite, verschillende culturen en disciplines toch goed zijn gaan samenwerken. De opdrachtgever is een conglomeraat genaamd Unique en verenigt douane, politie, restaurant, winkels, vliegmaatschappijen en vrachtvervoerders.

Aanvankelijk was de opdrachtgever een publiek lichaam maar na een verzelfstandiging is het nu een gewone marktpartij met een veel commerciëlere scoop dan voorheen. Dat betekent voor de ontwerpers meer druk op de financiële aspecten van het plan.

In de contracten tussen de joint venture van architect, constructeur, bouwmanagement enerzijds en de opdrachtgevers anderzijds zijn alleen de verplichtingen van de plannenmakers vastgelegd maar die van de opdrachtgever nauwelijks.

In de beschaafde, niet-arrogante en op vertrouwen gebaseerde wijze waarop Grimshaw met opdrachtgevers om wenst te gaan is ook geen plaats voor dichtgetimmerde en op wantrouwen gebaseerde afspraken.

Het heeft vervolgens veel voeten in aarde gehad om met de wisseling van de macht (en het paradigma) aan opdrachtgeverzijde door te kunnen gaan met het op kwaliteit gerichte proces. In een slotconclusie stelde Nash dat het architectenberoep niet beperkt kan blijven tot òf ontwerpen òf bouwmeester. Voor elk project heeft de architect een andere rol en andere randvoorwaarden, zowel qua programma en budget als samenwerking met vele betrokkenen. In de Angelsaksische wereld is dat al 10 jaar zo, in Zwitserland gebeurt dat momenteel.

Bij het verlaten van de bijeenkomst rij ik de gasten over het, volop in verbouw en uitbreiding verkerende TU-terrein. Binnen een masterplan van Wytze Patijn worden bestaande gebouwen gesloopt of gestript en nieuwe gebouwen toegevoegd. Het orthogonale grid en de specifieke industriële architectuur van OD 205 wordt daarbij regelmatig verlaten. Dat is bewust gedaan, het TU-terrein moet meer stad worden, gezelliger zelfs.

Met deze move is, dunkt me, het kind met het badwater weggegooid. Er ontstaat een verzameling gebouwen zonder samenhang en met dezelfde tijdelijke en modische grillen die in de echte stad ook heersen. De rust van een weldoordachte plek om te studeren is ingewisseld voor de waan van de dag, onder het mom van aanpassing aan de huidige tijd.

Dan ben ik liever conservatief.