Recensie —

De stad als museum

Jaco Kalfsbeek

In Amsterdam is uitvoering van beleid voor beeldende kunst in de openbare ruimte gedelegeerd aan het Amsterdams Fonds voor de Kunsten (AFK). Het AFK wil met de tentoonstelling 2001: A Public Space Odyssey en een openbaar debat de discussie over kunst in de openbare ruimte stimuleren.

In het Amsterdamse Arti et Amicitiae is een overzichtstentoonstelling te bezichtigen met werken die de afgelopen 5 jaar in de openbare ruimte geplaatst zijn. De bezoeker van de tentoonstelling kan gebruik maken van een tijdelijke toegang, een werk van de kunstenaar Michiel Voet. Het is een in hout uitgevoerd trappenhuis voor de gevel op het Rokin. Vanaf de trap bieden ramen met gekleurd glas via spiegels een onverwachte nieuwe kijk op de stad, hetgeen symbool kan staan voor de rol van kunst.

Beeldende kunst in opdracht is zo oud als de kunst zelf. Bij kunst in de hedendaagse openbare ruimte gaat het veelal om publieke opdrachten, en niet zoals vroeger van kerk of aristocratie. Nu de gemeenschappelijkheid van onze samenleving ver te zoeken is en de verzorgingsstaat failliet, kan aan nut en noodzaak van kunst in de openbare ruimte getwijfeld worden. Of is het juist een taak van kunst om de samenleving van commentaar te voorzien?

Amsterdam kent een grote traditie als het gaat om de integratie van kunst in architectuur en leefomgeving. Sinds WO II was het landelijk beleid gericht op een meer betekenisvolle leefomgeving door middel van kunst, onder andere via percentageregelingen. In de 70-er jaren was de omgevingsvormgeving op zijn hoogtepunt en werden kunstenaars ingezet om gemis aan beeldende kwaliteiten in architectuur en stedenbouw goed te maken. Deze hoge verwachtingen in combinatie met inspraak leidden vaak tot middelmaat en zelden tot betekenisvolle kunst. Tegenwoordig ligt de aandacht meer op integratie van verschillende disciplines en bij sommige kunstenaars op participatie van bewoners.

Hoewel in principe ook de ruimte in musea openbaar is, is de openbaarheid van de gemeenschappelijke buitenruimte van steden wezenlijk anders. De context van het kunstwerk is hier de concrete wereld: de stad als museum. Onze openbare ruimte is niet langer een historische ruimte gevuld met vanzelfsprekende collectieve beelden. Consumentisme en vluchtig vermaak heersen er. Het kunstwerk moet vechten om aandacht in een jungle van verkeerstekens en reclame-uitingen.

Wat zijn de voorwaarden voor goede eigentijdse kunst in het publieke domein? Allereerst is daar de opdracht. Zoals bij iedere vorm van vormgeving bepaalt een goede opdracht de kwaliteit van het uiteindelijk product. Deze wordt bij het AFK verzorgd door adviseurs, zelf ook kunstenaar, samen met stadsdelen, Ruimtelijke Ordening of woningbouwcoöperaties. Aangezien het om de besteding van overheidsgelden gaat, wordt gekozen voor duidelijk omschreven opdrachten, dus geen carte blanche voor de kunstenaar. Bij een goede opdracht hoort ook een duidelijk programma van eisen. Dit kan niet zonder een heldere definiëring van stedelijke ruimten vooraf (door stedenbouwkundig ontwerpers en landschapsarchitecten) en ideeën welke functie kunst daarin kan vervullen.

Wat opvalt, is dat veel opdrachten een zekere dienstbaarheid van kunst veronderstellen. Kunst wordt ingezet om een situatie te verbeteren. Iedereen kent voorbeelden voor het upgraden van een voetgangerstunnel of tot verlenen van betekenis aan een non-plek zoals een rotonde. De vraag is of de beleving van openbare ruimte daar werkelijk baat bij heeft. Kunst kan dienstbaar zijn, er bestaan goede voorbeelden van toegepaste kunst (hekwerken, transformatorhuisjes etc) en ook van meer autonome kunst die onze omgeving kan doen uitstijgen boven louter functionele betekenis. Maar evenzeer is er behoefte aan experiment, meer confronterende kunst waarbij de kunstenaar autonoom tot conceptualisering komt, commentaar geeft en mogelijk zelfs zijn eigen locatie kiest.

Tijdens de salonavond over kunst, architectuur en stedenbouw werd de stelling geponeerd dat de openbare ruimte teveel 'als kunst gelabelde objecten' kent. Samenballen van energie tot werkelijk grootse kunst of grootschalige manifestaties, maar ook het gericht weghalen van kunst werden als oplossing genoemd. Daartegenover kan gesteld worden dat kunst niet altijd groots en meeslepend hoeft te zijn. Een kunstwerk hoeft zelfs niet altijd zichtbaar te zijn maar kan terloops zijn, en oplossen in de dagelijkse omgeving. Een sleutel voor succes ligt vooral in het vroegtijdig betrekken van kunstenaars en het gelijkopwerken met architecten, stedenbouwers en landschapsarchitecten.