Feature —

De erfenis van dom. Hans van der Laan (1904-1991)

Adriaan Boertjes en Diana Kramer

Verslag van het symposium ‘The line under the spell of it’s measure – significance of Hans van der Laan’s architectural theories for contemporary architecture and urban design’ door Adriaan Boertjes en Diana Kramer.

Het raadhuis in Heerlen en het architectuurcentrum Vitruvianum waren op 26 oktober de setting voor een ééndaags internationaal symposium over de monnik/architect dom. Hans van der Laan. Het symposium was de afsluiting van een reeks van tentoonstellingen, lezingen en publicaties over Van der Laan, die alle onder regie stonden van beeldend kunstenaar Paul Bradley, gelieerd aan de Henry Moore Foundation in Leeds, en zijn Duitse collega Wolfgang Schöddert. De start van deze reeks vond plaats op 28 oktober 1999 met een grote overzichtstentoonstelling en een viertal lezingen in het Henry Moore Institute in Leeds. Tezamen met de tentoonstellingen en symposia in het Inverleith House in Edinburgh en het Bonnefantenmuseum in Maastricht maakte het symposium deel uit van een twee jaar durend project, dat als doel had het werk van Van der Laan opnieuw onder de aandacht te brengen.

Het moment waarop deze laatste dag van contemplatie en vooruitzien plaatsvond, viel nagenoeg samen met feiten die doen nadenken over het verleden en de toekomst van Van der Laans gedachtegoed. Immers is het alweer een decennium geleden dat Hans van der Laan zijn erfenis aan ons naliet. Is de geschiedenis nu dan ten einde gelopen en zijn daarmee dan ook zijn architectuurtheorieën in de algemene vergetelheid geraakt? Niet helemaal, want tegelijkertijd stond ook juist dit jaar in het teken van voortzetting van deze erfenis, belichaamd in de oprichting van de Van der Laanstichting. Dit is de late opvolger van de Monsignor van Heukelomstichting, die destijds verantwoordelijk is geweest voor Van der Laans cursus kerkelijke architectuur in het Kruithuis in Breda (1946-1973).

Deze Van der Laanstichting heeft als doel het besef van de grondregels van de architectuur, te beginnen met de ideeën van Hans van der Laan, uit te dragen en deze grondregels verder te ontwikkelen. Dit kan alleen door het werk van Van der Laan en dat van zijn volgelingen te documenteren en open te stellen voor het publiek, hier bekendheid aan te geven en de theorie een toekomst te bieden door haar verder uit te diepen. Een ambitieus project waarbij een beroep wordt gedaan op de onderzoeker, de praktiserende architect alsmede de geïnteresseerde leek.

De ondertitel van het symposium verraadde haar nauwe banden met de nieuw opgerichte stichting. Met haar doelstellingen in het achterhoofd werd geprobeerd een antwoord te geven op de centrale vraag: 'Hoe moet het nu verder met Van der Laans nalatenschap?'

De praktische kant van dit vraagstuk werd vooral toegelicht door de abt van de Benedictijner abdij in Vaals, tevens afgevaardigde van de Van der Laanstichting, dom. Adrianus Lenglet. Zijn standpunt was duidelijk: de eerste prioriteiten zijn het documenteren, archiveren en conserveren van tekeningen, brieven en ander materiaal, zowel van Van der Laan zelf, als van de gehele Bossche School en haar erfgenamen. Hij wees hierbij op problematische zaken als financiering en huisvesting van dit omvangrijke werk. 'Onze abdij kan en zal geen Van der Laanmuseum worden', maar het besef dat de werken publiek en alom bekend moeten blijven bleek sterk aanwezig.

Bradley was blij met dit besef. Hij had de afgelopen jaren een tendens geconstateerd dat niet vanuit de 'vakbroeders' (lees: architecten) maar juist vanuit de 'geïnteresseerde leek', zoals hijzelf ooit was geweest, de meeste belangstelling en activiteiten rondom Van der Laan zich ontplooiden. Dit had hem er dan ook toe gezet, middels de formule tentoonstellingen – symposia – publicaties, opnieuw een impuls te geven aan een binnen het vakgebied bijna uitgestorven interesse voor dit onderwerp.

Is deze revival of voortzetting een realistische gedachte? Heeft het levenswerk van Van der Laan nog betekenis voor de huidige architectuurpraktijk? Van alle sprekers die deze problematiek op hun eigen manier probeerden te beantwoorden, toe te lichten of te beargumenteren, was het Richard Padovan (schrijver van het boek Dom van der Laan: Modern Primitive en vertaler van De Architectonische Ruimte naar het Engels) die de knuppel in het hoenderhok gooide. Padovan zette uiteen dat er vanaf omstreeks 1942 drie fasen te onderscheiden zijn in de ontwikkeling van de theorie en de uitwerking daarvan in de praktijk. Aan het eind van elk van deze fasen, wanneer de theorie compleet of afdoende leek te zijn, ontvouwde zich steeds weer een nieuw probleem waarin Van der Laan nog niet voorzien had.

De eerste fase beschrijft de manier waarop Van der Laan de grondslagen van de architectuur probeerde de definiëren; hoe door middel van het gebouw de architectonische ruimte afgebakend kon worden van de natuurlijke ruimte. De welbekende introductie van de basilica, met haar specifieke vormentaal, als primair architectonisch gebouw bleek later de principes van het Plastische Getal niet goed te kunnen uitdrukken. De tweede fase, waarin vanaf eind jaren '50 Van der Laan en zijn studenten, met name de recent overleden architect Jan de Jong, experimenteerden met het Plastische Getal, werd dan ook gekenmerkt door wat Dick Pouderoyen in zijn bijdrage noemde: de 'techniek van omissie'. Historische referenties, ornamentiek en ronde vormen die de oorspronkelijke basilica kenmerkten, verdwenen uit de architectuur, omwille van de ultieme expressie van de ontwikkelde theorie. Pouderoyen zette hiermee de toon voor een heftige discussie over de rol van het ornament binnen de architectuur. Een belangrijke discussie, die echter buiten het kader van dit symposium viel.

De derde fase deed zich jaren later voor met de komst van een nieuw probleem dat zich concentreerde op de positie van gebouwen onderling, zoals dit bijvoorbeeld het geval is bij gebouwen die een binnenterrein afbakenen. In de laatste jaren van zijn leven ontwikkelde Van der Laan een nieuwe morfotheek, als hulpmiddel voor deze onderlinge positionering van volumes en kreeg hij nieuwe inzichten in hoe de architectonische ruimte – het interieur – altijd afgebakend door gesloten muren, weer in relatie kon komen met de natuurlijke ruimte – het exterieur. Voor het eerst werd ook de hoogtemaat gelijkwaardig gesteld aan de lengte- en breedtemaat. Padovan: 'It is no longer just a question of a proportion between measures, but of a proportion between different proportions.'

Nog voordat deze nieuwe inzichten uitgediept konden worden, stierf Van der Laan. Padovan onderkende met zijn lezing de problemen die inherent zijn aan de derde fase en waarvan Van der Laan ons de taak heeft gesteld deze op te lossen:

– Slechts een klein deel van de nieuwe morfotheek wordt in de praktijk gebruikt, namelijk de liggende en de zittende elementen. Waarom, met de nieuw ontdekte hoogtemaat in gedachten, niet de staande (introductie van (woon)torens)?- In de praktijk worden nog steeds gesloten binnenplaatsen gemaakt in plaats van dat er een relatie wordt gezocht met de natuurlijke ruimte door middel van vrijstaande gebouwen, die juist gepositioneerd zijn ten opzichte van elkaar. – In dit verband zijn er ook op het niveau van het gebouw nog steeds geen muren met open hoeken te vinden, die het interieur de relatie laten aangaan met het exterieur. – En tenslotte rijst dan de vraag: als de relatie tussen interieur en exterieur van zodanig belang wordt, moet dan niet het omhulsel dat deze twee scheidt, transparanter worden?

Afsluitend schokte Padovan zijn publiek door letterlijk tegen het meest heilige huisje in de Bossche traditie te schoppen. Een afbeelding toonde zijn her-ontwerp van de Vaalser abdij met de vernieuwde principes. 'Niet', zo zei hij, 'om te verbeteren, maar om tot inzicht te komen.'

We zien hier een belangrijke verschuiving plaatsvinden in het laatste werk van Van der Laan zelf en de haast logische interpretatie of terugkoppeling ervan naar het modernistische beginsel van ruimtelijke continuiteit. Van der Laan waarschuwde ons voor het gemak waarmee de laatste inzichten van zijn theorieën, indien te letterlijk genomen, omgevormd zouden kunnen worden naar modernistische uitgangspunten die uiteindelijk geen humane, kwalitatief goede en duurzame oplossingen zouden bieden.

Spreker Leo Tummers merkte scherp op dat de huidige architectuurpraktijk, en dan in het bijzonder de volgelingen van Van der Laan, zich juist zouden moeten concentreren op het leveren van deze adequate, duurzame oplossingen. Een menselijke architectuur, goed van maat en proportie, metaforisch gezegd: een Van der Laanarchitectuur. En dat hier als opmaat voor de toekomst al een begin mee is gemaakt, toonden de visuele presentaties van ondermeer: Peter Kulka, spreker Ulrich Hahn, Theo Malschaert en Marie José van Hee. Maar om zóver te komen, om het levenswerk van één persoon toekomst te bieden, moeten de opvolgers zich een bepaalde attitude aanleren of juist afleren. De vragen die hierover in de discussieronde naar voren kwamen, gaven redenen genoeg om ons met dit onderwerp bezig te blijven houden.