Recensie —

Hoog Wonen schreeuwt om inventiviteit

Frido van Nieuwamerongen

Wonen in hoogbouw mag weer in Nederland nu de angstvisioenen van de jaren zestig hoogbouw verdwenen zijn. Elke ambitieuze Nederlandse stad kent wel een hoogbouwproject. Koploper is Rotterdam waar in het centrum een hoogbouwcluster ontstaat waar woontorens een belangrijk onderdeel van uitmaken. In deze stad hield de dienst Stedenbouw en Volkshuisvesting (dS+V) een discussie over de toekomst van het Hoge Wonen. Een verslag van Frido van Nieuwamerongen.

Martin Aarts, stedenbouwkundige bij de dienst dS+V, legde uit waarom Rotterdam wel moet kiezen voor Hoog Wonen: 'In Rotterdam verschuift het economische zwaartepunt van de haven naar de stad. Binnenkort staan tegenover 50.000 havenarbeiders 100.000 werknemers in de stad. Rotterdam is dan niet langer een havenstad, maar een stad met een haven. Een Europese stad waar de bewoners trots op moeten zijn. En dan moeten er niet alleen 100.00 mensen in de stad werken maar er ook 100.000 wonen. Dan krijg je een stad die bruist, die zindert en die aantrekkelijk is voor mensen én bedrijven. Om zoveel bewoners naar de stad te lokken moet je wel de hoogte in' John Worthington, hoogbouwadviseur van de gemeente Rotterdam, ondersteunt Aarts opvatting. Maar hij waarschuwt wel dat je zeer voorzichtig moet zijn met hoogbouw. Het moet niet per project bekeken worden maar op stadsniveau. En je kunt niet straffeloos hoogbouw plaatsen. Ze mogen geen energie uit de omgeving wegzuigen, ze dienen innovatief te zijn en vooral geen klonen van torens uit andere culturen. Echt oorspronkelijk en innovatief zijn de meeste hoogbouwprojecten in Rotterdam niet, zo beamen de sprekers, maar is er verbetering te verwachten? Twee bureau's, O.M.A. en Mecanoo, presenteerden elk hun ontwerp voor een nieuwe toren op de Wilhelminapier.

Wat de beide ontwerpen gemeen hebben is een sterke afkeer van functiescheiding. Terwijl in het oorspronkelijke stedenbouwkundige plan van Norman Foster aan elke toren één functie was toegekend, bestond de eerste stap van beide bureau's uit het doorbreken van deze hokjesgeest. Een grotere complexiteit is gewenst om een aantrekkelijk gebouw te maken, niet alleen als beeld maar ook in het gebruik.Het meest uitgesproken hierin is O.M.A. Zij zet zich af tegen het ideaal van de slanke hoge toren en kiest voor een stedelijk, bijna massief gebouw. 'in de traditie van een typisch Rotterdamse stedelijk gebouw als het Groothandelsgebouw' zo legt Reinier de Graaf van O.M.A. uit. Het ontwerp kenmerkt zich door een grote verscheidenheid aan functies. Een vernuftige ontsluitingsoplossing moet tot een kruisbestuiving tussen de programmaonderdelen leiden.

Bij het ontwerp van Mecanoo ligt het innovatieve karakter vooral in het ontwerpen van een serviceconcept. Het gebouw kent een grote verscheidenheid aan woningen, flexibel en elk met een bijzonder uitzicht. Beide bureaus hebben getracht de scheiding tussen wonen en werken op te heffen. En hoewel dit eenvoudig lijkt, blijkt realisatie bijna onmogelijk. 'Het is vaak geprobeerd maar er zijn nauwelijks voorbeelden waar het werkelijk gelukt is' aldus Reinier de Graaf. In de uitwerking van hun plan is dit idee daarom verlaten en worden de functies in aparte blokken ondergebracht. De slotvraag is voor Worthington: 'Zijn deze gebouwen voldoende innovatief om een positieve bijdrage aan de stad te leveren?' Worthington denkt van wel. 'Wat me vooral aanspreekt is de aandacht voor de servicediensten. Het ontwikkelen van service gaat in de toekomst een belangrijke rol spelen in het ontwerp van hoogbouw. Daarnaast zijn beide gebouwen ook duidelijk eigen ontwerpen die boven de middelmaat uitsteken. Het zijn gelukkig absoluut geen klonen' Misschien is de belangrijkste conclusie van deze middag wel dat hoogbouw te dominant is om middelmatig te kunnen zijn. En dat het daarom meer moet zijn dan een kek jasje rondom een saai programma. Een aanbeveling niet alleen voor Rotterdam, maar voor elke Nederlandse stad met hoogbouwkoorts.