Recensie —

Kennisstation RDMZ/ROB

Erik Stekelenburg

Onlangs presenteerde de Spaanse architect/beeldend kunstenaar Juan Navarro Baldeweg de eerste schetsen voor het gezamenlijke onderkomen van het Rijksinstituut voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) en de Rijksdienst Monumentenzorg (RDMZ) in Amersfoort. Deze nieuwbouw is een van de tien grote projecten die geïnitieerd worden door het Rijk. De architect liet zich inspireren door de visie van 17e eeuwse schilders op Nederland.

Het Rijk wil met tien grote projecten een voorbeeld stellen voor opdrachtgeverschap dat ontwerpers vroegtijdig inschakelt bij projecten, de zaken integraal aanpakt, goed regisseert en het publiek erbij betrekt.

Het gebouw wordt gerealiseerd in samenwerking met de twee rijksdiensten, het Ministerie van OCW, de Rijksgebouwendienst en de gemeente Amersfoort. Na een Europese aanbesteding werd architect en beeldend kunstenaar Juan Navarro Baldeweg (Santander, 1939) gekozen. Hij kreeg de opdracht vanwege zijn ervaring met het realiseren van projecten in een historische context en in complexe situaties, om zijn materiaalgebruik, goede schaal- en maatgevoel en aandacht voor daglicht.

Navarro Baldeweg presenteerde zijn eerste schetsen, resultaat van twee maanden onderzoek, met behulp van een diaprojectie. Steeds waren er twee beelden te zien, links een schets van het project en rechts een referentiebeeld, meestal uit de 17e eeuwse Hollandse schilderkunst.

Het project is complex. De gezamenlijke huisvesting moet de beoogde samenwerking van de diensten faciliteren, grenst aan een beschermd stadsgezicht en een nieuwe spoorweghalte en moet een verbinding leggen met de overzijde van het spoor. De omgang van de architect met complexiteit kwam al tot uitdrukking in zijn consequent volgehouden afkorting van het RDMZ/ROB tot 'institute for knowledge'.

Navarro Baldeweg wil met één complex alle factoren in harmonie brengen: het kennisinstituut, de historische stad, een nieuw stadsdeel over het spoor, het Zocherpark, de Eem en het spoor dat snelheid en geluid toevoegt.

De architect wil die harmonisatie bereiken met een configuratie die reikt tot de andere kant van het spoor. Het lightrailstation ligt als het ware ín het complex en wordt daarmee naar beide zijden afgeschermd.

Verder verenigt hij het gebouw van het kennisinstituut met de entree van het station, het stationsgebouw. Naar de oude stad toe ligt het station over de volle lengte van 160 m1 achter het gebouw van het kennisinstituut. Het gebouw is daardoor in vorm en functie tevens een stationsgebouw, het filtert zowel reizigers als medewerkers van het kennisinstituut. De reizigers naar achteren, de medewerkers naar boven.

Aan de overzijde van het spoor ziet de architect culturele voorzieningen. Vijf gebouwen, in een parkachtige omgeving, die met hun as haaks op de sporen staan. In de 'small village' zijn openlucht activiteiten mogelijk zoals straatkunsten. Het culturele centrum verhoudt zich tot het kennisinstituut als bijgebouwen bij een boerenhoeve. De dialoog met de stadspoort wordt verzorgd door een zesde losstaand gebouw voor exposities in de schaal van de stadspoort.

Voor zijn samenvattende visie is de architect uitgegaan van nóg een omgevingsfactor. Een factor uit de wijde omgeving van Amersfoort, het polderlandschap. Een factor die eveneens historisch is, het 'territorial memory'. Hij toonde dat met Hollandse landschapsschilderkunst. Jacob van Ruysdaels 'Gezicht op Haarlem met de bleekvelden', 1670-1675. Het schilderij representeert een landschap onder een bewolkte lucht. Spaarzame bebouwing contrasteert sterk met het strokenpatroon van het vlakke land. Wolken drijven over en werpen hun schaduwen over het landschap. Daken en lucht zijn sterk aanwezig, de architect wees op de diepte van de structuur. Met een ander referentiebeeld zoomde hij in op een rieten kap van een typische boerenhoeve.

In het complex komt volgens de architect deze poëzie, van het schilderij van Van Ruysdael, terug. De bebouwing contrasteert sterk met de directe groene omgeving. Het complex heeft een diepe structuur die begint bij het hoofdaanzicht. Dit aanzicht vanuit de oude stad wordt gekenmerkt door een enorm glazen hellend vlak. Het vlak houdt het midden tussen een dak en een gevel en strekt zich uit over de volle lengte, circa 160 m1, en vier bouwlagen in de hoogte. Door de grootte, schuinte en wijze van verspringen met hoekkepers en kielkepers, refereert het vlak aan de kap van een boerenhoeve. Met dit vlak wil de architect het levendige en natuurlijke van het landschap uit de genoemde schilderijen bereiken: 'Het glas zal licht naar de stad reflecteren. Wolken zullen het gebouw openen en sluiten, zowel naar de stad als naar de hemel'.

Het schuine dak aan de spoorzijde is voor een deel van glas en voor een deel met riet bedekt. De twee dakvlakken van het volume direct aan de overzijde van het spoor zijn ook met riet bedekt. Driemaal 160 m1 riet! De plaatselijke rietdekker wrijft in z'n handen.

Ook op andere manieren wordt de historie aangehaald. Het water van de Eem liep vroeger door, langs de voorkant van het geprojecteerde complex. De waterlijn wordt niet klakkeloos hersteld, maar de gedachte eraan wordt tot leven gewekt door een lang driehoekig bassin voor het complex.

Het interieur is geïnspireerd door Pieter Saenredams Interieur van de Sint-Odulphuskerk te Assendelft, gezien vanuit het koor naar het westen, 1649. Het schilderij toont een grote overwelvende structuur bestaande uit de stenen kolommen en de meer intieme schaal van het houten ameublement dat helder in elkaar grijpen. Op deze wijze wil Navarro Baldeweg in het gebouw het onderscheid publiek-privaat tot uitdrukking brengen.

De begane grond is grotendeels publiek. Met café en restaurant aan de rivierzijde, kassa's en vitrines bij de ingang tot ruimten voor tentoonstellingen en lezingen aan de andere, rustiger zijde. Parkeergelegenheid is ondergronds. Naar boven toe leiden roltrappen naar de minder publieke ruimten als bibliotheek en verwante ruimten. De bovenste twee verdiepingen zijn voor het kennisinstituut, uitgevoerd met veel hout. Overal is het enorme glazen vlak, en daardoor de stad en de hemel, aanwezig als een achterdoek van een toneel.