Recensie —

W.N. Rose 1801-1877

Vladimir Stissi

Willem Nicolaas Rose is waarschijnlijk de minst bekende van de groten uit de Nederlandse architectuurgeschiedenis van de negentiende eeuw. Dat heeft hij zeker voor een deel te danken aan de neogotische en neorenaissancistische collega’s die het architectuurdebat nog tijdens zijn leven steeds meer gingen bepalen, onder wie natuurlijk Cuypers c.s.. Zij vonden Roses meestal meer klassicistische bouwstijl ouderwets, en hadden weinig waardering voor diens technologische vernieuwingsdrang, die overigens ook regelmatig tot mislukte experimenten leidde.

Zijn prachtige uitbreidingsplannen voor Rotterdam waren zo vooruitstrevend en ambitieus, dat de gemeentebestuurders er niet aan wilde (op een paar kruimels na). Belangrijk voor het vergeten van Roses werk is ook geweest dat zoveel ervan al snel gesloopt is, of in het weggebombardeerde Rotterdamse centrum stond. Het bekende tehuis Bronbeek bij Arnhem en het voormalige Ministerie van Koloniën bij het Binnenhof zijn Roses enige twee belangrijke uitgevoerde ontwerpen die nog bestaan. Ook hier hebben collega’s een negatieve rol gespeeld overigens: één van Roses meest prestigieuze projecten, een ‘moderne’ neogotische ijzeren vernieuwing van de dakconstructie van de Ridderzaal, werd na aanhoudende kritiek binnen een halve eeuw vervangen door een reconstructie van de oorspronkelijke houten kap.Hetty Berens’ proefschrift is een expliciete poging tot ‘rehabilitatie’ van Rose, en misschien daarom ook wel hier en daar te veel uit de verdediging geschreven. Dat is jammer, want Rose is nu eenmaal geen Berlage of Cuypers, al is het alleen maar omdat zijn theoretische impact op latere generaties heel beperkt is geweest, en zijn gebouwen weinig navolging hebben gekregen. En eerlijk gezegd is dat niet alleen maar een kwestie van jongeren die zich hebben afgezet tegen een oudere generatie. Hoe vernuftig en vooruitstrevend zijn werk ook is, Rose was geen geen groots creatief ontwerper, die zijn visionaire ideeën ook wist om te zetten in aansprekende projecten. Zelf zijn beroemdste werk, het grote Coolsingelziekenhuis in Rotterdam (gesloopt na bombardementsschade) is meer een imponerend en modern ziekenhuis dan een prachtig gebouw. In haar consequent positieve pleidooi voor Rose verliest Berens deze harde (en gezien de loop van de geschiedenis toch niet helemaal subjectieve) realiteit wel eens uit het oog. De effecten van de positieve insteek worden nog versterkt doordat Rose nogal geïsoleerd wordt bekeken. Berens heeft er bewust voor gekozen de studie van het negentiende-eeuwse architectuurdebat aan anderen over te laten en zich te richten op het individu Rose. Enerzijds brengt dat zijn werkwijze en zijn ideeën heel dichtbij, maar anderzijds raakt zo enigszins uit het zicht wat zijn mogelijke inspiratiebronnen waren, maar vooral hoe tijdgenoten in vergelijkbare omstandigheden te werk gingen. Zo was Rose niet de enige vroege ziekenhuis-architect in Nederland. Hoe deden die anderen het? Paradoxaal genoeg komt de claim dat Rose een grote voorganger was juist daardoor minder goed uit de verf: tenzij je erg goed thuis bent in de negentiende eeuw blijft zijn denkwereld en zijn werk nogal in de lucht hangen. Dit alles neemt niet weg dat Rose wel degelijk toe was aan een herontdekking, en dat Berens hem eindelijk die aandacht geeft die hij verdient. Grondig en uitgebreid worden het leven en de carrière van Rose, die lange tijd stadsarchitect van Rotterdam was, en later ook Rijksbouwmeester, beschreven, met veel aandacht voor de felle discussies die hij met zijn projecten steeds weer opriep. Deze historische context van een moeizame, maar aanhoudende strijd voor vooruitgang, die met name blijkt uit een stroom visionaire uitbreidingsplannen voor Rotterdam vormt de rode draad in het boek. De intensiteit van het architectonische leven van Rose is indrukwekkend, en wordt mooi beschreven. Het architectonische handwerk, uiterlijke details van gebouwen maar ook voor negentiende-eeuwse ontwerpers belangrijke als ‘stijl’ en ‘karakter’ blijven tegelijk wat ongrijpbaar. De wel erg klein afgedrukte illustraties – onder andere hele stadsuitbreidingen op ansichtkaartformaat of nog kleiner – in bleke aquarelkleuren maken het nog moeilijker de esthetische kant van de zaak te bekijken. Ook wat dit betreft is dit boek dan meer een historische dan een architectuurhistorische studie. Zelfs als uiterlijk aan bod komt, komen vaak al gauw functionele aspecten en economische en sociale factoren om de hoek kijken – wat natuurlijk wel goed bij Roses werk past. Want als er één ding duidelijk wordt uit dit boek is het dat de technicus en ambtenaar Rose heel wat dichter bij het harde leven stond dan de meeste van zijn beroemdere tijdgenoten.