Feature —

Wiel Arets over intensief, intensiever, intensiefst

Vladimir Stissi

Intensief, intensiever, intensiefst – en ook nog meervoudig – is misschien wel de beste samenvatting voor de lezing die Wiel Arets 1 februari j.l. voor ARCAM gaf. De ene na de andere opeenstapeling van functies in zeer creatieve combinaties (een wildwaterkanobaan op een voetbalstadion, een keukenraam als zwembadwand, een universiteitsbibliotheek die ook parkeergarage is) passeerde de revue, vaak als onderdeel van grote gebouwen in kolossale projecten.

Kwantitatief is de cyclus ‘theatrale architectuurlezingen’ in De Brakke Grond nu al een succes: de eerste keer haalde Herman Hertzberger bijna de kleine uurtjes, en nu, in de tweede lezing, brak Arets, die het ook als niet kort hield, dus het record kubieke meters gebouw per lezing.Gelukkig is veel deze keer ook leuk, en interessant. Het begin van Arets’ lezing deed nog een beetje vrezen dat hij de instructies om vooral geen praatje bij plaatjes te houden, en te vertellen ‘wat hem bezig hield’ iets te letterlijk had genomen. Een paar mooie, brede termen (sport, infrastructuur, water, place, life) werden toegelicht met moeilijk te volgen vaagheden. Goddank kwamen daarna gewoon de dia’s van projecten, waarin dezelfde thema’s ook aan bod kwamen, maar nu heel concreet en helder. In de simpele beschrijvingen van zijn projecten wist Arets zonder te veel uit te leggen, vaak zelfs zonder het echt te zeggen, precies duidelijk te maken waar het hem om draait. En eigenlijk is dat heel simpel: architectuur moet gebruikt worden, beleefd worden, mensen ontmoetingsplekken geven, en een thuis. Bedenk een goed programma, en maak daar wat bijzonders van! Niets revolutionairs allemaal, al kiest Arets wel vaak voor ongewone oplossingen, waarbij de verrassing de beleving nog groter lijkt te maken. Wie wil niet eens met zijn auto de lobby van een kantoor binnenrijden, of al zwemmend op zijn villa(tje) de gasten onder zich zien aanbellen? De heikele Hollandse vraag bij dit alles: ‘wat kost dat niet?’ werd natuurlijk zorgvuldig vermeden, en misschien ook wel terecht. Kwaliteit is niet in geld uit te drukken, zegt het cliché. Het is te hopen dat opdrachtgevers dit in deze minder rijke tijden ook blijven beseffen, of dat Arets ze als vanouds vaak weet te overtuigen van zijn eigenwijze gelijk.Een veel intrigerender paradox in Arets’s lezing, en sowieso vaak in het Nederlandse architectuurdebat, is dat bijna het hele betoog ging over programma’s, functies, structuren, communicatie, gebruik en beleving, maar de plaatjes vaak vooral mooi en esthetisch waren. En daarover werd gezwegen, afgezien van wat opmerkingen over licht, een opgaande zon door een huis, en een eigenaar die geniet van zijn old-timers (in de transparante garage, goed zichtbaar vanuit het huis). Zijn schoonheid en genieten taboe? Zitten we nog steeds zo vast aan modernistische dogma’s, dat functie kwaliteit bepaalt? Maar waarom is Arets dan zo dol op figuratief geëtste gevelelementen, zelfs met nep-stenen, en krijgen we een Utrechtse universiteitsbibliotheek met een bamboe-motieven gevel in glas en beton? Het wordt eens tijd dat estheticisme niet beperkt blijft tot de dia’s, maar ook in de verhalen doordringt. En als de gezellige vrijdagavond daardoor wat ingewikkelder wordt, soit. Desnoods wijdt ARCAM er een keer een apart debat aan.Of misschien moeten we geduld hebben tot de volgende lezing in de cyclus: 8 maart, Matthias Sauerbruch, die Duitsland opvrolijkt met kleurrijk visueel spektakel. En dan krijgen we ook nog Winy Maas (5 april) en later nog meer leuks. De stilte die in Amsterdam als architectuurmekka dreigde na het vertrek van het Berlage Instituut (en eigenlijk ook nog het NAi) is door ARCAM grondig voorkomen. Straks moeten we nog reserveren, want het begint ook al aardig druk te worden.