Feature —

Jencks in de mist

Allard Jolles

Afgelopen week was Charles Jencks (Amerikaan met Brits gedrag) weer in Nederland, onder andere voor een lezing op 11 april in de Academie van Bouwkunst aan het Amsterdamse Waterlooplein. De zaal was bomvol en Jencks had er zin in – dachten we.

Op het scherm een schilderij van een gezellig Haags familietafereel: de aan stukken gescheurde lijken van de gebroeders De Witt op 20 augustus 1672. Een spannend begin: wat zou Jencks daar over zeggen en hoe zou hij dat verbinden aan zijn nieuwste architectuurtheorie? Niet dus. Jencks schijnt een ver familielid van de gebroeders De Witt te zijn en het bewuste schilderij hangt op zijn werkkamer. Nederlanders hebben De Witt vermoord, het is ‘payback time’, mompelde Jencks. Hij pakte ons terug door ons gedurende een veel te lange zit een flauw gerecht op te dienen, dat al veel te lang op het theoretische sudderplaatje in zijn gaarkeuken had gestaan.

Bloedarmoede

De Bijbel, God, de oerknal, de kosmos en DNA-formaties kabbelden voorbij, zonder dat er ook maar één scherpzinnig lichtpuntje viel waar te nemen. Hoe komt Adam aan zijn navel, vroeg Jencks. ‘Dat kan toch niet, een navel, want hij is door God geschapen.’ Vragen waar de Evangelische Omroep al jaren niet meer van wakker ligt, kwamen voorbij als onoplosbare filosofische vraagstukken of als gewetensvragen waar wij, aardbewoners het nog steeds moeilijk mee hebben. ‘De kerk stond voor een totalitair, gesloten wereldbeeld met een voorspelbare identiteit’ meldde Jencks. Welk een verbluffende eye-opener! Vervolgens kwam Newton voorbij en de vierdeling van het wereldbeeld in materialisme, determinisme, simplisme en mechanisme. Newton maakte een machine van de natuur. Ook niet goed volgens Jencks, want de vormen die in de natuur voorkomen lijken niet op die van een machine. Nee, dan de oppervlakte van Jupiter, riep Jencks, da’s veel interessanter, want alle vormen daar zijn vrij. Maar niet vrij genoeg voor Jencks, want die sloeg gelijk weer aan het categoriseren. Fractals, blobs en waves waren het dus.

boven: Jupiter oppervlak (klik voor vergroting)
midden: Plattegrond Garden of Cosmic Speculation
onder: kosmisch schema uit: Charles Jencks, The Architecture of the Jumping Universe : A Polemic : How Complexity Science Is Changing Architecture and Culture, John Wiley & Son Ltd, 1997

Bouwkunst

Jencks liet een eigen landschapsontwerp zien (nog uitgevoerd ook) waar moeiteloos stukken van de ‘gevel’ van Jupiter in waren te herkennen. Waarom zou je de natuur willen kopiëren? Zo maak je al die gewichtigdoenerij over natuurbeschouwing in Platonische zin tot een designtrucje. Mies van der Rohe is Jencks' grote virtuele vijand en het heeft er schijn van dat Jencks al die krullen in z'n ontwerpen stopt om maar vooral niet op Mies te lijken. De wereld bestaat uit meer dan kubus, cilinder en rechthoek, dus de architectuur van Mies deugt niet , vindt Jencks. Herhaling deugt ook niet: 'precies gelijk' of 'steeds hetzelfde' zijn fout, maar 'lijken op' is goed. Onze hersens en ons hart zijn 'fractal' en onze architectuur moet dat dus ook zijn, dat leek de boodschap van de avond. Waar haal je die onzin vandaan? Volgens Jencks was architectuur vroeger (dat is dus voor hem alles van vóór 1914) op alle schaalniveaus interessant, juist ook 'en detail'. Inderdaad, de architectuur van Michelangelo kent meer vormen dan die van bijvoorbeeld Benthem en Crouwel. Een oneigenlijke vergelijking. Ik kan het mis hebben, maar voor zover ik weet heeft Michelangelo nooit opdracht gekregen voor een telefooncentrale of een luchthaven.

Humor

Vervolgens voorspelde Jencks ons zeven aankomende bouwstijlen (die er volgens mij allang zijn, maar goed): fractals, eco-tech, datascapes, blobs, golven, kosmologie en de ‘enigmatic signifier’. Bij dat laatste hoorde Frank Gehry’s Guggenheim in Bilbao, want dat gebouw lijkt op een zeemeermin. Ja, als je ’t wilt zien, dan zie je het. Bij datascapes hoorde natuurlijk MVRDV. Jencks sprak dat uit als murf-durf, of muffer-duf, en voegde daaraan toe dat hij zeker wist dat MVRDV zijn naam had gekozen om een aura van ‘geheim genootschap’ te krijgen, zoals de KGB dat had. Deze grappen zouden zelfs bij Youp van ’t Hek nog vóór de try-outs sneuvelen. Het verhaal van Jencks eindigde met een plaatje van de Taj Mahal in de mist en dat bleek een hoogtepunt van zelfkennis. Jencks had waarschijnlijk zelf ook niet meer dan een ‘foggy notion’ van waar hij het over had willen hebben en liet zijn schimmenspel als vanzelf oplossen in het schemerduister van de krochten van onze geest. En daar mag het blijven.