Recensie —

Kopen = gokken. De pieken en dalen van BONAS.

Vladimir Stissi

Het idee is veelbelovend. Onder de wat vreemde naam BONAS (Bibliografieën en oeuvrelijsten van Nederlandse architecten en stedebouwkundigen) werkt een aparte stichting binnen het NAi sinds een aantal jaren aan een inventarisatie van de Nederlandse architectuur en stedenbouw op basis van archiefdocumentatie en publicaties.

Zoals de naam van het project al aangeeft, wordt daarbij uitgegaan van individuele oeuvres. Een deel van de resultaten wordt gepubliceerd in de inmiddels bij velen bekende bronskleurige boekjes (waarover zo meer), de rest is (vooralsnog) alleen in de computer en als prints in het NAi aanwezig; electronische raadplegingsmogelijkheden zijn wel aangekondigd, maar welke vorm die precies gaan krijgen is niet helemaal duidelijk.

Een groot deel van het BONAS-werk wordt door stagiairs gedaan, meestal studenten; soms wordt ook gebruik gemaakt van eerder onderzoek en al beschikbare experts. Logischerwijs leidt deze werkwijze tot sterk wisselende resultaten: je hebt nu eenmaal ijverige en luie, slordige en precieze studenten, maar ook beter en slechter gedocumenteerde oeuvres. De stagiair die met een architectenbureau opgescheept zit dat in een kleine 60 jaar zo’n 900 ontwerpen heeft gemaakt, maar geen archief heeft nagelaten, heeft het minder makkelijk dan de geluksvogel die een compact, perfect gearchiveerd en al goed bestudeerd oeuvre treft. En andersom treft een architect die het met een stagiair moet doen die voor het gemak elk blok appartementen tot sociale woningbouw bestempelt, het minder goed dan de architect die aangepakt wordt door drie fanaten (in de positieve zin) die werkelijk elk relevant archief en obscuur tijdschrift opsporen en doorploegen.

Voor alle duidelijkheid: bovenstaande voorbeelden betreffen waargebeurde gevallen. Samen zijn ze tekenend voor het essentiële probleem van BONAS: de output wordt nooit beter dan de input. Dus, zou je denken, is voorzichtigheid geboden: of je presenteert de resultaten in bescheidenheid en als voorlopig, met de mogelijkheid tot aanvulling en correctie, of je zorgt voor een goed begeleidingsteam dat actief assisteert, controleert en aanvult tot zeker is dat er een degelijk resultaat ligt. Helaas doet de werkelijkheid vermoeden dat BONAS geen van beide werkwijze navolgt, met als gevolg een reeks resultaten van zeer wisselend niveau. Ook de publicaties variëren van volwaardige (mini)biografieën met perfecte oeuvrelijst tot slordige werkenreeksen met wat borrelpraat erbij.

Resteert nog het heikele punt van Krophollers oorlogsverleden. Na een veroordeling door de Ereraad voor Architectuur heeft hij altijd als ‘fout’ te boek gestaan bij zijn collega’s. Volgens de auteurs van BONAS is dat goeddeels ten onrechte en was Kropholler vooral uit rancune alleen maar wat naief, en is het vooral criticus J.J. Vriend geweest die hem heeft zwartgemaakt. Hoewel Vriends wat rommelige retoriek soms iets over de schreef ging, gaat de manier waarop hij door deze Kropholler-propagandisten wordt gekarakteriseerd en geparafraseerd echt alle wetenschappelijke perken te buiten. Van een minstens even groot bord voor het hoofd van de auteurs getuigt de beschrijving van Krophollers artikelenreeks uit 1941-1942 ‘Wat was, is en komen moet’ in het Bouwkundig Weekblad als een tekst over de toepassing en bewerking van hout. Los nog van het feit dat geen enkele fatsoenlijke architect toen nog in het Bouwkundig Weekblad schreef, is wie dit uit zijn pen krijgt, of oostindisch blind, of heeft hij/zij de artikelen simpelweg niet gelezen. Blijkbaar is het moeilijk toe te geven dat de zeer conservatief-katholieke en nationalistische Kropholler, die – niet als enige architect – al vanaf de jaren twintig fascistoïde teksten schreef, mede door zijn rancune tegen de gevestigde orde in de fout is gegaan, zonder overigens heel actief te collaboreren.

Los van de historische scherpslijperij zou wat meer aandacht voor Krophollers ideologische denkbeelden, die nauw samenhingen met zijn architectonische uitgangspunten, het begrip van zijn werk alleen maar ten goed zijn gekomen. Door het oorlogsverleden weg te poetsen en Kropholler uit te leggen als een extra zuivere Berlagiaan met traditionalistisch tendenzen, zonder veel te zeggen over het belang dat hij aan het nationale en volkseigen karakter van de bouwkunst hechtte, wordt hem niet bepaald recht gedaan. Ook hier had een goede inhoudelijke en tekstuele redactie de auteurs en de lezers veel ellende kunnen besparen.

En dat is waarschijnlijk de grootste les uit dit deel van de BONAS-reeks: zonder deugdelijke inhoudelijke begeleiding zijn dergelijke publicaties zinloos, of zelfs contraproductief, en is elk nieuw deel voor de lezer en potentiële koper weer een gok. Als een echte wetenschappelijke redactie te duur of anderzins onhaalbaar is, is het misschien beter maar helemaal niet te publiceren, of in ieder geval niet als boek. Een interactieve website zou veel effectiever kunnen zijn en maakt het makkelijker om langzaam, met veel handen, ook bij een wat minder beginresultaat uiteindelijk tot iets goeds te komen. De toegankelijkheid van de referenties (altijd een crime in de boekjes), de doorzoekbaarheid en de aktualiteitswaarde (vermelding sloop of monumentenstatus) zijn bovendien sowieso meer gebaat bij elektronische publicaties. Zolang het nog niet zo ver is, heb ik maar één advies: bij BONAS eerst goed kijken, dan pas kopen.

Dan Kropholler. Misschien was het de goden verzoeken om direct na het deel over de vergaste Jood Elte met in de oorlog niet bepaald brandschone Kropholler te komen; in ieder geval is in deze publicatie zo’n beetje alles fout gegaan wat fout kan gaan. De werkelijk ontstellende hoeveelheid typefouten, stijlfouten en andere redactionele slordigheden (de leukste: ‘Schopenhaven’ voor de bekende Duitse filosoof) is daar bij nog de kleinste ergernis; het is vooral de inhoud van het boek die beneden alle peil is. De inleidende biografie, die overigens voor een deel nogal zwaar leunt op eerdere publicaties, lijkt te zijn geschreven door iemand zonder enig chronologisch besef en gevoel voor historische verbanden. Een voorbeeld: in een betoog over de verwijdering tussen Kropholler en zijn toenmalige compagnon J.F. Staal in 1910, wordt gesuggereerd dat Staal Kropholler min of meer tegen heug en meug overhaalde om voor het tijdschrift Wendingen te schrijven – dat in 1918 voor het eerst verscheen. Een halve pagina verder staat opeens dat Kropholler Staal na 1910 nooit meer heeft willen zien of spreken. Dezelfde soort logica komt nog een keer of vijf, zes terug, maar misschien is dat niet zo verbazend in een tekst die de in 1881 geboren Kropholler in 1902 19 jaar oud maakt (pag. 9) of drie verschillende sloopdata geeft voor hetzelfde gebouw (pag. 94-95).

In de catagorie klassieke blunders valt ook de behandeling in de oeuvrelijst van een project aan de Koninginneweg 16 te Amsterdam, begeleid door een prachtige foto van Koninginneweg 18 – een in alle relevante boeken gepubliceerd huis van Berlage. Het valt nog mee dat de auteurs ‘Berlagiaanse stijlkenmerken’ herkennen. Vreemd is ook de opname in de lijst van twee villa’s in het Amsterdamse Willemspark met als datum 1905. Met een derde, gelijktijdig gereed gekomen huis om de hoek worden deze in alle literatuur 1910-1911 gedateerd en toegeschreven aan voormalige compagnon Staal. Het zou natuurlijk (nou ja, misschien) kunnen dat die anderen het mis hebben, maar dan zou een motivatie toch op zijn plaats zijn. Jammer genoeg bevat de oeuvrelijst nog meer van dit soort eigenwijsheden, die soms tot verwarring en mogelijk doublures hebben geleid. Werkelijk irritant zijn bovendien de vaak nergens over gaande, rommelige beschrijvingen vol nutteloze details. Wat moeten wij met het feit dat villa ‘De Goede Reede’, die in het geheel niet beschreven wordt, na de opdrachtgever eerst werd bewoond door een notaris, en toen door een ‘particulier’? En waarom is de enige regel beschrijving van een klooster in Vught gewijd aan de schokbetonnen dakgoot? De redactie die dergelijke hilariteiten heeft laten passeren moet wel in coma hebben gelegen.

De twee meest recente delen, over Harry Elte (1880-1944) en A.J. Kropholler (1881-1973) vormen een mooie illustratie van de beide uitersten. Het deel over Elte is dat van de drie zojuist al genoemde fanaten. Zij hebben, mede puttend uit eerdere publicaties van hun hand, een voorbeeldig boek geschreven. Hoewel van de gedeporteerde Elte geen archief is overgebleven, is dankzij intensief speurwerk uit het niets een compleet oeuvre tevoorschijn gehaald, aangekleed met flink wat biografische gegevens. Met veel liefde tonen L. van Grieken, P.D. Meijer en A. Ringer hoe Elte uit de schaduw van zijn leermeester Berlage, en mede onder invloed van Frank Lloyd Wright en de Amsterdamse School, opbloeide tot de belangrijkste architect van Joods Amsterdam in het interbellum en daarnaast tot een succesvol huizenbouwer/projectontwikkelaar. Juwelen als de bekende synagoge aan het Amsterdamse Obrechtplein en zijn eigen woonhuis aan de Stadionweg krijgen de aandacht die ze verdienen. Ook bij minder belangrijke werken zijn de beschrijvingen niet te kort en vooral helder en nuttig. Dat sommige dingen daarbij iets mooier worden voorgesteld dan ze waren, en Elte soms een beetje te veel credit krijgt in vergelijking met andere betrokkenen, getuigt alleen maar van het enthousiasme van de onderzoekers voor hun held en neem je als lezer graag op de koop toe.