Recensie —

Belgische toestanden

Geert Reitsma

Onlangs werd in Tilburg een symposium georganiseerd over het fenomeen ‘Belgische Toestanden’. Volgens de uitnodiging wordt dit begrip vaak geassocieerd met de ongeremde wegeninfrastructuur, de klassieke lintbebouwing, de wilde verkavelingdrang, de onherkenbare landelijke gemeenten en de verkommerende kernsteden. Kortom van alles dat in Nederland niet gewenst is. Toch lijkt in Nederland steeds meer ruimte te zijn voor wat meer Belgische toestanden gezien de interesse voor ‘individuele opdrachtgeverschap’ en ‘wild wonen’. Tijdens het symposium werd gezocht naar wat de Belgische situatie als potentieel model te bieden heeft. Daarnaast grepen de Vlaamse deelnemers de gelegenheid aan om het clichématige beeld dat Nederlanders hebben van België te relativeren.

‘De Belg heeft een baksteen in zijn maag’ – Sinds de Belgische onafhankelijkheid wordt met een liberale spreiding- en huisvestingbeleid, het eigen woningbezit en de ‘eigenbouw’ gestimuleerd en raakt het platteland meer en meer verstedelijkt. Door de geringe rol van de overheid, de relatief lage grondprijzen en de gunstige fysieke conditie van de bodem is in 30 jaar tijd het aantal woningen met maar liefst 45% toegenomen, waarvan 70% via ‘eigenbouw’ werd gerealiseerd. Sinds 1997 wordt met het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen de wildgroei beperkt door aan te sturen op verdichting van de bestaande steden, het open houden van landschappen en door illegale bouwsels af te breken.

‘België is het lelijkste land ter wereld’ –  Na de Tweede Wereldoorlog bleek de oorlogsschade mee te vallen en werd het absorptievermogen van de bestaande infrastructuur tot het uiterste getest. Zo werd de ‘invulregel’ ingevoerd om verdichting te stimuleren en kleine open stukjes langs wegen efficiënt te benutten. In praktijk werd deze regel echter gebruikt om grote stukken landbouwgrond te bebouwen. Op het platteland werd de traditionele nederzettingsstructuur vervangen door een bonte mix van stedelijke rijenwoningen en decoratieve ‘fermettes’. Momenteel wordt in België het architectuurdebat gestimuleerd door de aanstelling van Bob van Reeth als rijksbouwmeester, de publicatie van architectuurjaarboeken, de oprichting van welstandcommissies naar Nederlands model en de groeiende belangstelling voor binnenstedelijke woonvormen.

‘Belgie is hopeloos ingewikkeld en onbestuurbaar’  – Bijna iedere Belg is bestuurder en op alle niveaus zijn bestuurlijke netwerken en coalities nodig: de ‘superdemocratie’. De Nederlandse indeling in drie bestuursniveaus bestaat in België niet, onder meer vanwege de verregaande autonomie van de gemeenten, de twee taalgebieden en de betekenis van politieke partijen. Net als tot voor kort in Nederland is een politieke partij van oudsher een belangengroep, verstrengeld met vakbonden, ziekenfondsen, onderwijs en overheidsbedrijven. Alhoewel dit door de ontzuiling afneemt, moet je in België nog steeds lid zijn van een politieke partij om  een baan als ambtenaar of binnen de vakbond te krijgen. Het ‘cliëntelisme’ ofwel ‘politiek dienstbetoon’ komt daarom vaak voor. Veel politici, maar ook architecten houden thuis of in een café of vakbondskantoor tegen betaling spreekuur, net als artsen en notarissen in Nederland. Veel Belgen zien architecten daarom als onderdeel van het zo gehate bureaucratische establishment. Ooit heeft Luc Deleu hierop de aandacht gevestigd door in alle openbaarheid aan de lopende band handtekeningen te plaatsen onder een reeks ‘fermetteplannen’ voor het verkrijgen van een bouwvergunning. Volgens Bob van Reeth verklaart deze klantgerichte ontwerperhouding ook het succes van Belgische architecten in Nederland, waar architectuur gekoesterd wordt als conceptuele kunstvorm.

‘België is wel gezellig, maar bekrompen’ – Tijdens het symposium werd een videofilmpje getoond, waarin een Amerikaan uit een vliegtuig stapt en roept: ‘I live in a great country’. In nog geen minuut is de Amerikaan in sneltreintempo te zien op tal van Belgische plekken en verschijnt de slottekst ‘Een beetje trots kan geen kwaad’. Het idee van de reclamecampagne komt van de Belgische regering die graag het Belgische imago in het binnenland wil opkrikken. Tot nu toe leggen de Belgen vaak liefdevol uit hoe het land in al zijn irrationaliteit in elkaar zit. De keuze voor een Amerikaan in het spotje lijkt in die zin het gevolg van wat Geert van Istendael noemt ‘het omgekeerd patriottisme’: ‘Een dweil heeft hier een nationale driekleur. Maar daar bemin ik België om.’ Op dit moment kijken de Belgen met verbazing naar Nederland, waar het opkomende ‘individueel opdrachtgeverschap’, het ‘wilde wonen’, zelfinitiatief en deregulering door de overheid worden gestimuleerd. Juist op het moment dat in België de overtuiging groeit dat planning wel eens de sleutel kan zijn tot het ‘schone’ land dat zo overtuigend opduikt bij het overschrijden van de landsgrens.