Recensie —

IJsselmonde: suburbane stedelijkheid

Jaco Kalfsbeek

Op initiatief van het Stimuleringsfonds voor Architectuur vindt tot en met november de internationale ontwerpmanifestatie ‘Groene Stad’ plaats, met als casestudie het Rotterdamse IJsselmonde. Doel van de manifestatie is te onderzoeken ‘hoe met cultureel elan de naoorlogse wijken in Nederland een toekomstperspectief kan worden gegeven’.

Drie ontwerpteams werken in workshopverband aan een ontwikkelingsvisie voor IJsselmonde. Vanuit een cultureel en sociaal-maatschappelijk invalshoek en begeleid door literaire essays over IJsselmonde werden de teams, een Fins team, een Spaans team o.l.v. Joan Roig en een Nederlands team (Claus en Kaan), aan het ontwerpen gezet. Onlangs presenteerden de teams hun voorstellen na afloop van de tweede workshop, gevolgd door reacties van de referenten Arnold Rijndorp, Maarten Schmitt, Mariet Schoenmakers, Endry van Velzen en Annemiek Rijckenberg.

IJsselmonde past zowel in de moderne stedenbouwkundige traditie van Rotterdam-Zuid, met bijvoorbeeld Pendrecht,. als in de traditionele tuinstad traditie van Granpré Molière, die al in de 20-er jaren een plan maakte voor grootschalige uitbreiding op Zuid met verweving van het groene landschap. Het zuidelijk Rotterdam is volgens de wijkgedachte ontwikkeld met kernen op stadsdeel-formaat. De stedenbouwkundige opzet van IJsselmonde is helder. Een ringweg omsluit een centrum met voorzieningen en ruim in het groen gelegen radiale wegen omsluiten de woonbuurten.. Oude dijken met historische bebouwing liggen als artefacten in het stedelijk weefsel. Het rijke groen dat inmiddels volgroeid geraakt is, de ligging nabij het centrum van Rotterdam èn het buitengebied zijn belangrijke kwaliteiten van IJsselmonde.

Het is interessant om te zien hoe de verschillende teams aankijken tegen deze Hollandse opgave. In alle grote steden speelt een vergelijkbare problematiek – eenderde deel van het huidige stedelijk gebied en de woningvoorraad is na 1950 in korte tijd gebouwd!. Fysiek bouwkundig is er het probleem van een grote eenvormige woningvoorraad. Door serieproductie vrijwel gelijktijdig gebouwd, in gebruik genomen en nu verouderd door veranderende woonwensen en daarom dringend toe aan grootschalig onderhoud. Sociaal-geografisch is er de veranderde bevolkingsopbouw; vergrijzing en immigratie noopt tot nieuwe programmatische eisen. Stedenbouwkundig is er de vraag hoe om te gaan met de vaak zeer eenduidige ruimtelijke opbouw op functionalistische principes. Landschappelijk vraagt de kwestie van beheer en onderhoud aan openbare groenvoorzieningen binnen en rond deze wijken om (financiële) antwoorden.

Op tal van plaatsen in Nederland wordt dan ook gesleuteld aan het naoorlogs stedelijk gebied. Woongebouwen worden gesloopt en vervangen door nieuwbouw. Hiermee worden nieuwe structuren geïntroduceerd binnen de op moderne grondslag gestoelde naoorlogse stadswijken. Is het mogelijk binnen de bestaande ruimtelijke structuren te vernieuwen zonder deze geweld aan te doen? Met betrekking tot de westelijke tuinsteden van Amsterdam pleit het Cuypers Genootschap in haar jaarboek De organische woonwijk in open bebouwing voor een monumentenstatus (na een halve eeuw) van de naoorlogse stadswijken en hergebruik van de architectuur (renovatie/restauratie), in plaats van sloop van woningen en openbare gebouwen.

Voorstel van het Spaanse ontwerpteam

Voor het Finse team is het moeilijk zich voor te stellen dat in Nederland zulke goede, grote en royaal in het groen liggende woningen gesloopt worden. Zij proberen met kleinschalige aanpassingen de originele structuur van IJsselmonde te herstructueren,dit leidt vooralsnog niet tot een overtuigend plan. Vanuit de Scandinavische traditie zouden juist goede voorstellen verwacht worden voor woningverbetering in relatie tot de groene omgeving.

Het Nederlandse team richt zich vanuit de grote schaal op de structuur van eilanden in het groen. Door zowel de eilanden als het tussenliggende groen een eigen karakter te geven zou de herstructurering vorm moeten krijgen. De vraag echter is of door de schaal van de bestaande eenheden als uitgangspunt te nemen, juist niet meer versnippering van de ruimte optreedt.

Het Spaanse team tenslotte doet een interessant voorstel door langs de spoorlijn een nieuwe structuur toe te voegen, die zowel macrostructuren als het nieuwe havenfront en de ontwikkelingen rond de Kuip alsmede het NS station koppelen. Vanuit deze structuur, die in hoogte aansluit op de schaal van IJsselmonde, vertakken microstructuren zich tot in de wijk zelf en naar het buitengebied.

Door de referenten werd gewezen op het probleem van de schaal in relatie tot de tijd. De behoefte aan ruimtelijke interventies en programmatische aanvullingen wordt onderschreven. Wat gemist wordt zijn uitgewerkte strategieën, de interventies gekoppeld aan processen in de tijd.

Na verwerking van deze kritiek leveren de teams in september hun definitieve voorstellen in. Op 31 oktober worden de eindresultaten besproken op een openbaar slotsymposium in het NAI.