Opinie —

Nederland als speeltuin

Tracy Metz

Er is veel te zien op de nieuwe Nieuwe Kaart. Heel veel. Je ziet de nieuwe woonwijken oprukken, de nieuwe wegen zich uitrollen, de bedrijventerreinen zich als een olievlek over het land uitspreiden. En de natuur groeit ook nog, met liefst 200.000 hectare. Dat is bijna een heel Ecologische Hoofdstructuur erbij – op papier tenminste.

(klik vergroting)

Volgens mij kan dit alleen in Nederland. Dit moet het enige land ter wereld zijn dat tegelijkertijd én meer bebouwing én meer natuur kan maken op zo’n kleine oppervlakte kan persen. In ieder geval maken de Nieuwe Kaarten duidelijk dat Nederland een onstuitbare drang heeft tot het maken van plannen. Hoe komt dat toch? Is het horror vacui? Is het herinrichten van het land de manier geworden waarop bestuurlijk Nederland bewijst dat het toch reden van bestaan heeft? Of is die stortvloed aan plannen het bewijs van een onverwoestbaar optimisme? De samenleving is misschien minder maakbaar dan we dachten, maar onze omgeving is dat gelukkig nog altijd wel. Het kan geen toeval zijn dat de doe-het-zelf zaken en de woninginrichtingzaken de enige sector van de detailhandel die het vorig jaar goed deed.

We storten ons dan ook met overgave op deze doorlopende verbouwing, gezien het aantal plannen dat in deze kaart is verwerkt. Het zijn er rond de vijfduizend. Dat komt neer op ongeveer 100 plannen per gemeente. Die hoeven ze natuurlijk niet allemaal zelf uit te voeren, want het zijn plannen van zowel de gemeenten zelf als van provincies, het rijk en de waterschappen. Maar je begrijpt wel iets beter dan ze niet altijd toekomen aan het controleren van parkeerdekken en brandvoorzieningen.

(klik vergroting)

Ik bedoel te zeggen: het verhaal dat de Nieuwe Kaart ons vertelt, is één kant,het kwantitatieve. Er is ook nog de kwalitatieve, waarbij de plek en het gebruik dat we maken van die plek van elkaar losgezongen zijn. In een productielandschap heersen harde economische wetten; in een consumptiedomein geldt de kunst van het behagen.

Willen de bewoners van het meet vlakke land van Europa bergen beklimmen? Overal, in hallen en buiten op het land, verrijzen klimwanden. Willen ze skiën? Geen Europees land met zo’n hoge dichtheid aan skihellingen. Je kunt de wintersport zonder winter bedrijven, of andersom kun je 365 dagen per jaar de winter opzoeken die we buiten de skipiste niet meer meemaken. Wil je naar de tropen? Center Parcs biedt een subtropisch oerwoud in Limburg, of palmen in Flevoland.

De cultuurhistoricus Hans Renes spreekt in dit verband van ‘plaatsloze landschappen’. die laten zich moeilijk in een kaart vangen. En in hun bijdrage aan de bundel ‘De stad op straat’ van het Sociaal en Cultureel Planbureau (1999) vragen planologen Zef Hemel en Edwin van Uum zich met rede af: ,,Kan de functie ‘recreatie’ nog als een aparte legenda-eenheid op de kaart voorkomen?”

Het is deze dubbelzinnigheid die Nederland zo fascinerend maakt, en tegelijkertijd zo verwarrend. Tussen welvaart en nostalgie, tussen illusie en authenticiteit ontstaat in dit kleine, natte hoekje van de delta een footloose landschap waar niets is wat het lijkt, waar alles maakbaar is als er maar een publiek is dat bereid is te betalen voor de geboden belevenissen. Een land waar je zelfs op de nieuwste Nieuwe Kaart niet ziet wat je ziet.

(klik vergroting)

Ja, Schiphol. Natuurlijk is Schiphol zwart, want zwart = infrastructuur en dat is Schiphol als knooppunt van trein, auto en vliegtuig bij uitstek. Maar wat voor kleur geven we aan Schiphol Plaza, waar zo’n twee miljoen mensen per jaar naar toe komen, niet om te vliegen maar om naar de vliegtuigen te kijken en te winkelen en te eten? Voor een dagje uit, kortom. Want dat het winkelen een belangrijke functie is voor Schiphol en voor de Nederlandse economie, valt niet te ontkennen. De See Buy Fly, de winkels achter de paspoort- en ticketcontrole, is het best renderende winkelcentrum van Nederland, met een omzet van liefst een ton per vierkante meter. Een ton per vierkante meter – dat is meer dan de Bijenkorf op de Dam in het kerstseizoen.

Neem het bedrijventerrein van Duiven, in de buurt van Arnhem. Een reusachtige Ikea heb je daar, en nog wat andere vestigingen van grote winkels die graag bij de snelweg willen zitten. Maar als je goed kijkt blijken ook hier plek en functie steeds verder uit elkaar te lopen: de voormalige loods van Ikea is nu een kinderparadijs, een indoor speeltuin zoals dat nu heet. Van hetzelfde laken een pak aan de rand van Utrecht, waar een voormalige loods van de Spoorwegen naast het spoor een speeltuin herbergt, KidZcity. Zo te zien is het bedrijventerrein een van de meest multifunctionele plekken die Nederland tegenwoordig kent, want je kunt er behalve bedrijven ook paarden, koeien, varkens, kippen en kinderen onderbrengen.

Net zomin als ‘groen’ of ‘paars’ of ‘zwart’ is ‘rood’ een betrouwbare categorie. Rood is bebouwing, dat wel, en een van de dingen die wie leren van deze nieuwe Nieuwe Kaart is dat het bebouwde gebied tot 2015 met 14 procent gaat toenemen. Maar dat gezegd hebbende: hoe kun je aan dat rood afzien dat onze eerste woningen en onze tweede woningen steeds meer naar elkaar toegroeien? Sterker nog, de tweede woning is in toenemende mate grote, luxer en prettiger in het groen gelegen dan de eerste. Veel mensen wonen liever in hun buitenhuis in het groen, of dat nu een villa met een rieten dak van acht ton is of een mottige oude stacaravan – ook ‘chalet’ genaamd – dan in de stad. De verandering die het permanent wonen met zich meebrengt, bijvoorbeeld voor de Veluwe, is cartografisch niet te vangen. En hoe ‘rood’ is Buitenborgh, de wijk met 200 recreatiewoningen tussen de snelweg A2 en de Vinkeveense plassen? Er mochten geen ‘echte’ woningen komen want dit gebied maakt deel uit van het Groene Hart en dat moet open blijven. Maar recreatiewoningen mochten wel, want recreatie is groen. Maar deze ‘dure kippenhokken’ van vijf, zes, zeven ton, zoals boze omwonenden ze noemden, zijn met hun dubbele garages en eigen aanlegsteiger wel degelijk rood.

(klik vergroting)

Je ziet, zoals gezegd, heel veel op de Nieuwe Kaart van Nederland. Maar je ziet ook heel veel niet. Je ziet een plat vlak van kleuren: rood = bebouwing, groen = landelijk gebied, zwart = infrastructuur, paars = bedrijventerrein. Die vlakken en kleuren suggereren een eenduidigheid in gebruik die, zo die ooit bestond, nu helemaal tot het verleden behoort. Wat je niet ziet, is hoezeer het gebruik dat we maken van het land, en het landschap, is veranderd. De ruimte in Nederland staat steeds minder in dienst van de productie en steeds meer in dienst van de consumptie, van de vrije tijd, van de fun. Waar eerst goederen werden gemaakt, wordt nu plezier gemaakt. Nederland als speeltuin.

Neem de paarden. In het landelijk gebied zie je steeds meer paarden en steeds minder koeien. Volgens de provincie Brabant brengt de paardenbusiness jaarlijks een bedrag van twee miljard gulden op – het dubbele van de bloembollenteelt. Het aantal paarden in Nederland wordt nu geschat op zo’n 400.000, en als alle ruiters lid werden van de hippische bond, dan was die na de KNVB de grootste sportbond van het land. Brabant, en dan met name De Peel, ziet in de paarden dan ook een waardevol economisch alternatief voor de intensieve veehouderij. Streekplatform De Peel wil graag in samenwerking met de provincie bij het hippische centrum in Deurne een paardenbedrijventerrein aanleggen. Daar kunnen allerlei bedrijven bij elkaar komen die met paarden van doen hebben, van fokkerijen en uitrusting tot en met praktische zaken als voer en transport. Dan vraag ik me af: wat voor kleur krijgt Deurne, het groen van buiten en van recreatie, of het paars van een bedrijventerrein?

En koeien nooit meer buiten komen omdat ze het hele jaar doorbrengen in de zero grazing stall, is dit niet meer paars dan groen? En wat voor kleur geef je zoiets als er in het Limburgse Nederweert wordt opgericht, een agrarisch bedrijventerrein waar veertien houders van varkens en kippen bij elkaar geconcentreerd gaan worden? De kerosinedampen boven Schiphol zullen in het niet vallen bij de ammoniakdampen straks boven Nederweert, maar op de kaart is het er groen.