Opinie —

Rood en groen

Piet Vollaard

Verdichting – met name verdichting van de na-oorlogse uitbreidingswijken – verdunt het groen in de stad en legt daardoor meer druk op het buitenstedelijke groen. Nieuwe tuinsteden ter vervanging van de agrarische steppen buiten de ‘rode contouren’ voorkomen verstening van de huidige stad en verhogen de culturele en ecologische waarde van Nederland.

(klik voor nog meer groen)

De kans dat er in de nieuwe Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening – áls de nieuwe regering daarover tenminste ooit overeenstemming weet te bereiken – nog sprake zal zijn van streng gereguleerde rode contouren rond de steden is gering. Waarschijnlijk zal verdichting van de steden weliswaar warm worden aanbevolen, maar zullen er tegelijkertijd openingen gelaten worden voor bebouwing van het open gebied buiten de steden. De meeste natuurliefhebbers zullen tegen een dergelijk beleid automatisch protesteren. Als het doel van dit protest behoud van de schaarse aanwezige natuur in Nederland is, dan is het de vraag of dit protest wel zo effectief is. Er valt meer voor te zeggen om juist te protesteren tegen de verdichting van de steden. Een groot deel van het huidige open gebied kan immers met de beste wil van de wereld geen natuur worden genoemd. Het grote areaal agrarisch gebied is in feite niet meer dan een saaie cultuursteppe, dat in ecologisch opzicht volstrekt niet interessant of waardevol genoemd kan worden. De ecologische diversiteit van Amsterdam is vele malen groter dan die van Flevoland, zelfs met de Oostvaardersplassen meegerekend. Ook de recreatieve waarde van het stadsgroen is rijker, en vooral toegankelijker. Het agrarische gebied kunnen we ecologisch gezien missen als kiespijn.

Het groen in de stad is vooral in de naoorlogse uitbreidingswijken in uitbundige hoeveelheden aangelegd. Wie door de Westelijke Tuinsteden in Amsterdam of Pendracht in Rotterdam wandelt komt bij wijze van spreken meer bomen dan mensen tegen. Anders dan in de oudere stadsgebieden waar het groen vooral bestaat uit afgeperkte parken en bomen langs de straten, kennen deze wijken een complexe hiërarchie van groenvoorzieningen; ruime privé-tuinen, kleine en grotere collectieve groen- en speelvoorzieningen, brede met inmiddels volwassen geworden bomen omzoomde wegen, sportvelden en grote parken waar je nog in kunt verdwalen. Als het huidige beleid wordt voortgezet zal dat echter niet lang meer duren. Juist die ruime naoorlogse wijken zijn het primaire doelwit van verdichting geworden en het groen is daarvan vrijwel steeds de dupe. Volkstuincomplexen moeten wijken, sportvelden worden steeds verder naar de randen van de stad verdreven, de brede bomenlanen worden gehalveerd om ruimte te maken voor een zwaar stadsblok en groene binnenterreinen worden geplaveid tot parkeerterreinen. Een zelfde groene armoede heerst in de nieuwe stedelijke herstructureringsgebieden. In het Oostelijk Havengebied, het paradepaardje van de hoofdstedelijke verdichting, is haast geen spoortje groen te bekennen. Het schaamlapje gras tussen de baksteenblokken van Borneo en Sporenburg – nota bene door een landschapsarchitect ontworpen – is wat dat betreft tekenend voor de verhouding rood/groen in de huidige stedenbouw. In de Vinexwijken is de situatie trouwens weinig beter, ook daar vindt men nergens het royale openbare groen van de naoorlogse wijken en hoewel ‘een huis met een tuin’ nog steeds het ideaal van de gemiddelde Nederlander is, zijn de tuinen tegenwoordig zo armetierig klein, dat daar niet in valt te tuinieren en ze van armoede maar meteen geheel bestraat worden. Geen wonder dus dat de nieuwe stadsbewoner in zijn vrije tijd en masse in de auto kruipt en de files trotseert om nog een uurtje van de laatste resten vrije natuur buiten de stad te kunnen genieten.

Stedelijke verdichting en bouwen in hoge dichtheden als enige uitbreidingsstrategie leidt tot verarming van de ecologische kwaliteiten van de stad en tot een onaanvaardbare druk op het schaarse natuurgebied van Nederland. Een harde rode contour spaart geen natuur, maar spaart de agrarische steppen. Er is veel voor te zeggen om het rood-groene model van de naoorlogse woonwijken opnieuw te overwegen en tenminste voor wat betreft de bestaande gebieden in ere te houden. Het is wat betreft het behoud van natuur en ecologische diversiteit productiever om niet meer in monotone termen van rood tegen groen te denken en om in plaats daarvan te denken in heterogene termen van verschillende verhoudingen van bebouwing en groenvoorzieningen, zodat een reeks van verschillende woonmilieus ontstaat, van dichtbebouwde hoge stedelijkheid tot landelijke openheid en alles wat daartussenin te bedenken valt. Daarmee is zowel de culturele als de ecologische diversiteit van Nederland gebaat.