Feature —

De staart van de ezel : retrostijl bij gebrek aan beter

Harrie van Helmond

De BNA-kring Midden-Brabant nodigde op 21 oktober jl haar leden uit om samen na te denken over retro-architectuur. De prikkelende uitnodiging sloot met de vragen of de architect moet zwichten voor de consumentenvraag in plaats van te blijven zoeken naar een diepere betekenis in zijn vakgebied, en of het geen tijd wordt dat de consument capituleert en toegeeft dat de moderne architect het nog niet zo slecht met hem voor heeft.

De uitgenodigde spreker stedenbouwkundige Herman Mens had deze laatste uitspraken aan de organisatie gestuurd maar was er vergeten bij te vertellen dat dit schertsend bedoeld was. Echter, deze luimige umwertung werd serieus geïnterpreteerd, niet alleen in de uitnodiging maar ook in de discussie na afloop van de presentatie. De aanwezigen waren not amused door terugkeer naar 17e eeuwse vormtraditie in een tijdsgewricht met hele andere programma's en hele andere technische mogelijkheden. Mens zijn lucide en genuanceerde verhaal over de totstandkoming van de woonwijk Brandevoort in Helmond, waar hij stimulator en coördinator was, gaf voor de goede verstaander haarfijn aan hoe de architectuur en stedenbouw een gemeente met voorheen een negatief imago op de kaart heeft gezet en financieel voordeel bracht.

Het grote verschil tussen Brandevoort en de in het hele land voortwoekerende retrogolf is de schaal (6000 woningen in einem Guss), het stedebouwkundige concept van een dicht bebouwd centrum met buitenwijken, en de inzet op hoge kwaliteit en individualiteit.

De basis voor het kiezen van een klassiek Brabants idioom in Helmond is gelegd in het succes van de woonwijk Dierdonk die in een dertiger jaren stijl is gebouwd. Door protesten uit de vakwereld is in Dierdonk nog een gedoogzone gemaakt waar moderne architecten konden laten zien hoe hedendaagse architectuur er volgens hun uit moet zien. De zelfbouwers in Dierdonk moesten onder het juk van de supervisor door, die vasthield aan een Trespaverbod en 60cm dakoverstek. Deze strengheid, die aanvankelijk als betuttelend werd ervaren, bleek al snel te leiden tot extreme waardevermeerderingen en toen werd dierdonken plots omarmd.

De succesvolle branding van Helmond geeft haarscherp de onmacht weer van de status-quo die heerst in de gesloten wereld van de architectuurdeskundigen. Hieruit kwamen geen antwoorden op de behoeften van de steeds mondiger wordende burger en op de vraag naar een nieuw paradigma voor Vinexuitbreidingen. In die leemte kon retroarchitectuur opkomen.

Helmond ging hierbij uiteraard niet voor de culturele aspecten van architectuur maar heeft de retrostijl puur ingezet als middel. Mens noemde het ook wel geruststellend bouwen, niet modern maar wel eigentijds. Zijn voorstellen om inspiratie voor Brandevoort te zoeken in de wederopbouwarchitectuur, omdat daar een evenwicht aanwezig is tussen traditie en abstrahering, moest wijken voor de wil van de politiek in Helmond die iedereen (merendeels draagkrachtige woningzoekers) een eigen notariswoning gunde. Dat dit het effect op zou leveren van woningen die elkaar als wethouders Hekking verdringen, werd als niet relevant opzij geschoven. Als een ezel die aan zijn staart werd getrokken, zo vatte Mens het puntig samen, dook hij samen met Rob Krier in het Brabantse verleden.

In Brandevoort zijn de hogere bouwkosten (30%) door de grotere individualiteit en de ornamentatie geen probleem: de kopers betalen het er graag voor, net zoals de woningbouwverenigingen die het als een investering in de toekomst zien.

Het moet worden gezegd als je Brandevoort vergelijkt met bijvoorbeeld de retrowijkjes in de Vinex van Houten is de eerste veel consequenter uitgevoerd: daar zijn de huizen aan pleintjes en straten met trottoirs gelegen terwijl in Houten het ene na het andere stijlcitaat gesitueerd is aan een net van rode fietspaden waar auto's gedoogd worden of aan hippe pleintjes. De stedenbouwkundige context vloekt hier heftig met de hang naar traditionele geborgenheid.

De stellingen die door Herman Mens waren opgesteld, werden in Tilburg niet als uitdaging opgepakt. Zo was men het gewoon niet eens met de stelling dat moderne architectuur een nieuwe taal is die nog slechts weinigen beheersen. De stelling dat retro-architectuur wellicht een belangrijke stap kan zijn om weer een draagvlak voor architectuur bij de gebruiker te krijgen: geen commentaar. De eindstelling, dat er een uitdaging ligt voor architecten om een brug te slaan tussen traditie en moderniteit (een thema waar bijvoorbeeld J.J.P. Oud al mee bezig was) werd in Tilburg stilzwijgend beschouwd als een val voor het populisme.