Opinie —

Deurbeleid TU Delft

Jeroen Mensink

De oratie van Francine Houben, medeoprichter van het Delftse architectenbureau Mecanoo, roept vragen op over het beleid van de TU Delft ten aanzien van de aanstelling van nieuwe hoogleraren. Is de faculteit Bouwkunde op zoek naar bekende namen uit de praktijk of worden kandidaten geselecteerd op hun inhoudelijke bijdrage aan een specifiek vakgebied? Houben is aangesteld voor de nieuwe leerstoel mobiliteitsesthetiek, maar hoe groot is haar bijdrage eigenlijk aan het debat over infrastructuur?

illustratie uit de publicatie Compositie, Contrast, Complexiteit van Francine Houben/Mecanoo Architecten

De Nederlandse overheid heeft in haar beleid opgenomen dat er voor grote infrastructurele projecten architecten moeten worden aangesteld om zich met de architectonische verschijningsvorm bezig te houden. Dat is bewonderenswaardig en zeker geen overbodige luxe in een land waar civiele kunstwerken dominant in het landschap aanwezig zijn. Dat de Technische Universiteit in Delft daar vervolgens een leerstoel voor opricht is dan ook niet verwonderlijk.

Verschillende ontwerpbureaus in Nederland hebben zich de afgelopen jaren met deze opgave bezig gehouden; UN Studio, Neutelings Riedijk, Benthem Crouwel, MVRDV en Zwarts & Jansma hebben praktische invulling aan deze ontwerpopgave gegeven, dan wel een intellectuele bijdrage geleverd aan de discussie hierover. Van Mecanoo schiet me op dit moment geen kunstwerk, geen enkel verkeersknooppunt en geen enkele overstapmachine te binnen, noch enig inhoudelijk artikel over dit onderwerp in de vakliteratuur. Toch heeft de faculteit bouwkunde Houben het meest geschikt geacht voor het ambt van professor op deze nieuwe leerstoel, waarschijnlijk gebaseerd op haar lidmaatschap van de VROM-raad. Haar oratie, bedoeld om de visie van de hoogleraar op het vakgebied naar voren te brengen, moet uitwijzen hoe zij inhoudelijk invulling aan wil geven aan deze leeropdracht.

Houbens inaugurele rede blijft geheel bij het onderwerp van haar leerstoel, de esthetiek van mobiliteit: mooie snelwegen en mooie spoorlijnen. Het stuk leest als een combinatie van een verslag van een vergadering op het Ministerie van VROM en een dagboek. Bovendien lijkt het stuk, gezien het aantal keren dat ze naar zichzelf verwijst, ook een autobiografie te willen zijn.

In haar betoog pleit ze voor het ontwikkelen van een (formeel) instrumentarium waarmee we infrastructuur kunnen analyseren en ontwerpen. Ze geeft een voorzet met haar ‘Bali- en Las Vegasmodel’, ‘Louis Couperus- en Rembrandtroute’ en een ‘designatlas’ die het perspectief van de weggebruiker splitst in the road, the verge en the field. Aan de hand van visuele kenmerken wordt vervolgens een inventarisatie gemaakt van het snelwegtracé rondom het Groene Hart. Het debat over mobiliteit in Nederland wordt zo gereduceerd tot een vraagstuk over compositie. Haar visie op de wenselijkheid van bijvoorbeeld de Betuwelijn of de magneetzweefbaan blijft vooralsnog geheel achterwege, maar dat zou dan ook voorbij gaan aan de zuiver esthetische doelstelling van haar leeropdracht.

Heeft de faculteit bouwkunde weer eens een leerstoel verzonnen om een plek te creëren voor een architect die ze graag aan haar school wil liëren? Mobiliteit of infrastructuur zou een relevante leerstoel zijn, mobiliteitsesthetiek lijkt te zijn opgericht om van Houben de enige geschikte kandidaat te maken.

Dat architecten professorabel worden geacht op basis van hun werk, niet op basis van hun wetenschappelijke kennis wekt al geen verbazing meer op. Misschien moeten we de inhoudelijke invulling van het professoraat door architecten dan ook daarop beoordelen. Als Houben in haar nieuwe functie een esthetische bijdrage kan leveren aan het aanzien van de Nederlandse infrastructuur zullen we de historische onjuistheden en de taalfouten in haar oratie maar laten voor wat ze zijn: schoonheidsfoutjes.

Is deze benoeming een uitzondering of een nieuwe tendens in de wetenschappelijke wereld? De laatste jaren lijkt het verzamelen van informatie voldoende voor academisch ontzag op de faculteit bouwkunde. De hoogleraar in the information age als zoekmachine van vlees en bloed, al data verzamelend, op een leerstoel. Waarschijnlijk hoort kritische reflectie bij een verloren tijdperk.

Ben benieuwd naar het onderwerp van de volgende leerstoel.