Recensie —

Duurzaam bouwen is een plicht

Allard Jolles

‘Een beter milieu begint bij de architect, als we de langzaam op gang komende stroom architectuurboeken over duurzaam bouwen moeten geloven’. Allard Jolles recenseert ‘Sustainable architecture and urbanism’, ‘Solar energy in architecture and urban planning’ en ‘Groundscrapers and subscrapers’.

Een beter milieu begint bij de architect, als we de langzaam op gang komende stroom architectuurboeken over duurzaam bouwen moeten geloven. Maar daar zit natuurlijk een belangrijke stap voor: het begint met duurzame stedenbouw. En dat is meer dan autovrije wijkjes, een regenvriendelijke vloer of drijvende tuinen. Belangrijker is te zorgen dat er in een plan straks, over bijvoorbeeld 50 jaar, voldoende ruimte over is om in te spelen op het onvoorspelbare. Bouwen in hoge dichtheden is ook belangrijk, en de milieuwinst daarvan staat buiten kijf. Niet alleen kunnen dan groene gebieden groen blijven. Ook bespaart het vele meters kabel, rioolpijp of asfalt.

Vroeger
Wanneer is alle ellende begonnen? Met de industriële revolutie natuurlijk. Het mag inmiddels als algemeen bekend worden verondersteld dat de fossiele brandstoffen, waar de aarde miljoenen jaren over gedaan heeft om ze te vormen, sinds een paar eeuwen (1750 wordt gezien als omslagpunt) weer de atmosfeer in worden geblazen. Dat gaat niet zonder gevolgen: zaken als het broeikaseffect, de stijgende zeespiegel of klimaatsverandering worden meer dan eens met dit gegeven verklaard. Ook de steden zijn er fundamenteel anders door geworden. In het kielzog van de industriële revolutie kregen we fabriekscomplexen met daarom heen arbeiderswijken, en, in reactie daarop, rond 1900 de tuinstadbeweging. De industrialisatie van het stadsbeeld ging gepaard met ongelofelijk veel optimisme. Alles wat we nu milieuvervuiling zouden noemen, zoals rokende fabriekspijpen, stinkende stoom- of dieseltreinen en andere donkere wolken brakende metselwerken, stond nog tot ín de jaren zestig van de vorige eeuw symbool voor een gezonde, gelukkige toekomst.

Grafiek uit 1980 waarin de bebouwingsdichtheid van wereldsteden wordt afgezet tegenover het benzineverbruik

Emissie
Die toekomst ziet er nu wat minder gezond uit. Het moment dat de fossiele brandstoffen niet langer in commerciële zin gebruikt kunnen worden, komt met rasse schreden naderbij. De disciplines stedenbouw en architectuur moeten daar dus nu rekening mee gaan houden. Een stedenbouwkundig plan dat honderden jaren mee moet, zou tegenwoordig niet meer op een of andere manier gebaseerd moeten zijn op afhankelijkheid van fossiele brandstoffen. En nieuwbouw pretendeert toch altijd minstens 50 jaar mee te gaan? Zorg dan dat zo’n gebouw zoveel mogelijk installatievrij kan draaien (ING House is een goed recent voorbeeld). Nog beter is het om een gebouw te ontwerpen dat energie oplevert (negatieve emissie), zoals architect Ken Yeang bijvoorbeeld doet. In het boek van Richards over Hamzah & Yeang (eco-tech, heet die stijl) staan weer een paar bijzonder energievriendelijk ‘groundscrapers’, natuurlijk met grasdaken en dergelijke, maar dat is ‘make-up’ vergeleken met waar het werkelijk om gaat. Het doorspoelen van een toilet met regenwater heeft meer een symboolfunctie dan dat het echt nuttig is. Met zonnepanelen en natuurlijke aircosystemen is al veel meer winst te halen. Duur? Dat is relatief. Photovoltaïsche zonnepanelen zijn een stuk goedkoper dan de natuurstenen gevelbekleding die zo vaak voor hoogbouw wordt gebruikt.

Glasdak van een zwembad in Bad Elster (Duitsland) ontwerp van bureau Behnisch & Partner

Gebouwen
En andere architecten, wat doen die? Het is opvallend: de boeken van Herzog en Gauzin-Müller geven vele voorbeelden (verrassend: zelfs benzinestations kunnen energiezuinig gebouwd worden) maar Neerlands trots ontbreekt helemaal. Nederland is slechts vertegenwoordigd met het Amsterdamse GWL-terrein en de kalenderpanden van Loof en Van Stigt. In ons land verkeert de architectuur, volgens de altijd inspirerende Australische hoogleraar stedenbouw Peter Droege, in de fase van het late fossilisme. Droege heeft de architectuurstijlen in heden en verleden opnieuw ingedeeld met het achtervoegsel fossilisme. Zo krijgen we pre-, post- en protofossilisme. Grappig, maar er zit een kern van waarheid in. Droege gooit de huidige generatie superdutch-architecten op één hoop onder de noemer neo-fossilisme. Dat is een architectuurstijl die alle energieproblematiek categorisch ontkent ‘met een innemend decorstuk dat het zicht op de harde werkelijkheid ontneemt’. Denkt Droege hier aan de zielige boompjes in het Hannoverpaviljoen van MVRDV?

Wat opvalt is tenslotte de sfeer van de boeken over duurzaam bouwen. Het binnenwerk ziet er, behalve bij qua lay-out onleesbaar hippe boek van Hamzah & Yeang, ouderwets schools uit. Begrijpelijk, want ‘gelikt’ of ‘glossy’ zijn niet direct de bijvoeglijke naamwoorden die passen bij ‘opvoeding’ of ‘onderwijs’. Terecht is het ook, want opvoedkundig zijn de hier besproken boeken zeker. Een beter milieu begint met het lezen van de verplichte kost en die is vooral bedoeld voor degenen die menen zich tijdens hun ontwerpwerk aan hun energetische verplichtingen te kunnen onttrekken.