Recensie —

De plattegrond van de stad

Allard Jolles

Een bespreking van twee boeken waarin de stadsplattegrond het onderwerp vormt. Het ene boek gaat in op de verschillende functies van een kaart, het andere boek geeft een overzicht van Amsterdamse plattegronden tussen 1866 en 2000 – ook leuk voor niet Amsterdammers, aldus Allard Jolles.

Tot en met zondag 1 december 2002 is hij nog te zien, de tentoonstelling Kaarten van Amsterdam 1866-2000 van het Gemeentearchief Amsterdam. Wie niet gaat, heeft straks iets moois gemist. Gelukkig is er een schitterende catalogus bij verschenen, waarin alle kaarten in hun gerestaureerde glorie staan afgebeeld. Alle kaarten? Ja, alle, en mede dat maakt de catalogus zo goed: hij is compleet.

Amsterdam-liefhebbers komen natuurlijk aan hun trekken, maar de hoge kwaliteit van deze uitgave maakt zelfs van de meest verstokte Amsterdam-hater tot fan. Amsterdam is sinds de zestiende eeuw één van de meest in beeld gebrachte steden ter wereld. Kaartenmakers uit de lage landen waren wereldberoemd. Het aardige is dat het boek niet alleen kaarten laat zien die een weerslag vormen van de werkelijke situatie, maar ook nooit uitgevoerde plannen, reductiekaarten en allerlei thematische kaarten die zijn gemaakt om informatie over openbaar vervoer, toeristische attracties, besmettelijke ziekten en economie wereldkundig te maken.

Superieur

Kaarten zijn superieur in het geven van een totaaloverzicht, vertelt ons een folder van het Gemeentearchief. Een kaart maakt het mogelijk in één oogopslag een hele stad te zien, iets wat verder alleen maar mogelijk is vanuit de lucht. De beschouwer voelt zich eventjes ver verheven boven de realiteit van alledag en leest de plattegrond als een vingerafdruk van mogelijkheden. En zo werkt dat ook, maar dan moet die vingerafdruk wél alle details bevatten. De liefde voor plattegronden slaat snel om in irritatie als – denk aan die grove stadsplattegronden die gratis in hotellobby’s in zo’n standaardje staan, met alleen het centrum er op – delen van de stad of kleinere straten niet worden weergegeven. Nee, dan de grote kaart van stadsingenieur Van Niftrik uit 1866. Prachtige details, overtuigend getekend en zeker meeslepend, waardoor de beschouwer al snel denkt: jammer dat dát plan niet is uitgevoerd. En dat is ook precies de bedoeling geweest van de maker, en van vele kaartenmakers na hem.

Rol

Is de kaart weg uit het moderne stedenbouwkundige ontwerp? Welnee, alleen de rol van de plattegrond is meer divers dan toen. In het goed (maar nog in de oude spelling) gemaakte eerste deel van de serie ‘De kern van de stedebouw in het perspectief van de 21ste eeuw’, laten de auteurs aan de hand van historische en meer recente voorbeelden de mogelijkheden van kaartmateriaal zien. Als communicatiemiddel, als uitkomst van besprekingen, als juridisch document, als beleid, als resultaat van onderzoek, als reclame: en allemaal op een bepaald moment in de planvorming onmisbaar. Het eerste dat opvalt is dat de schaal tegenwoordig anders is. Een ontwerp voor de hele stad is niet meer van deze tijd. Het zijn vooral deelgebiedjes die aan bod komen, deelgebiedjes van delen van de stad die op hun beurt weer in stadsdelen liggen. Die omslag, van groots denken en ontwerpen naar kleinere hapklare brokken, is bijvoorbeeld te zien aan het opknippen van de Zuidelijke IJ-oever van Amsterdam. Het oorspronkelijke plan, met een bereik van IJmuiden tot aan Almere, bleek vooral wat betreft grootte van het plangebied niet meer in de maatschappelijk processen van de stad te passen. Verschillende deelgebieden zijn inmiddels – met (dankzij?) opvallend weinig media-aandacht – uitgevoerd.

Glad

Maar het totaaloverzicht is niet helemaal uit het oog verloren. Provincies maken streekplannen en verschillende gemeentes maken bijvoorbeeld een structuurplan of een structuurschets. Dat is echter geen stedenbouwkundig ontwerp, maar een beleidsstuk, waarvan de tekening een samenvatting is van het vooral met woorden geschetste beleid. Niet direct een product met wervende kracht en dus ook niet iets waar de bevolking opgewonden van wordt. En dat geldt tegenwoordig voor veel meer kaartmateriaal. De computer maakt het erg eenvoudig om met een enkele druk op de knop een ‘overkill’ aan varianten van één ontwerp te maken, in 2D én in 3D. Het met de machine geschetste stadsbeeld komt inmiddels zó dicht bij de ‘objectieve’ luchtfoto dat het onderscheid tussen ‘reeds bestaand’ en ‘gewenst’ lijkt opgeheven. Het ontwerp lijkt niet alleen te zijn uitgevoerd, maar ook geaccepteerd door de belendende percelen en liefdevol opgenomen in het bestaande stratenpatroon. Wie is dan nog tegen? Een gladde computerpresentatie vereffent, nivelleert en poetst alle protesten uit de samenleving weg, net als een gloeiende bout de kreukels uit onze kleren gladstrijkt. Maar het is slechts zelden dat een gelikt plaatje de problemen ook daadwerkelijk oplost.