Feature —

Ontwerpen aan de Deltametropool

Angelique Mergler

Als onderdeel van het Ontwerpatelier Deltametropool vond er de afgelopen maanden een aantal seminars plaats. Angelique Mergler bezocht een seminar met als thema ‘Economie en Ruimte’. Hier werd besproken hoe en wat het ontwerpen aan de Deltametropool kan bijdragen aan de versterking van de economische positie van dit gebied.

Het Ontwerpatelier Deltametropool is volop aan het werk. Het atelier is een project in het kader van de Nota Ontwerpen aan Nederland en de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening, sinds kort de Nota Ruimte geheten. In beide nota's is de Deltametropool opgenomen als Groot Project. Op initiatief van de rijksbouwmeester is voorgesteld het concept van de Deltametropool door middel van ontwerpend onderzoek te toetsen. Daarom organiseren het Atelier Rijksbouwmeester en VROM, ondersteund door de regio Randstad, gezamenlijk het tijdelijke Ontwerpatelier Deltametropool. Onderdeel van dit atelier zijn een aantal seminars met sprekers van diverse achtergronden over uiteenlopende onderwerpen: bijvoorbeeld het groene hart, economie en sociaal-culturele issues. Er zijn vier ontwerpteams samengesteld met daarin vertegenwoordigers van bureaus, gemeentes en provincies. De teams staan onder leiding van Rem Koolhaas, Dirk Sijmons, Luigi Snozzi en Teun Koolhaas. Eén team onderzoekt de noordflank, één team de westflank en één team de oostflank. In december zal de eindpresentatie van de onderzoeken plaatsvinden.

Tijdens het nadenken over het concept Deltametropool doemt steeds weer de vraag op óf zoiets als een (Delta)metropool wel te ontwerpen is. De Rijksbouwmeester denkt in ieder geval van wel. Dit getuige het feit dat in het atelier gezocht zal worden naar 'de gouden greep', een ontwerpingreep op het schaalniveau van de Deltametropool die een belangrijke stap is op weg naar een complexe nieuwe stedelijke structuur. Belangrijke beelddragers zijn nu in ieder geval de binnensteden van Amsterdam en Rotterdam en daarbuiten de polders, plassen en de bollenstreek. Is het zaak hieraan nieuwe beelddragers toe te voegen, bijvoorbeeld door het bouwen van een Nederlands la Défense, of moeten de bestaande beelddragers beter gepromoot worden? En praten we dan in het laatste geval eigenlijk over citybranding, het verkopen van een beeldmerk, ongeveer zoals Parijs gereduceerd is tot een ansichtkaart van de Eiffeltoren? En dan is de volgende vraag wat hierbij eigenlijk te winnen valt.

Een belangrijk aspect bij het nadenken over het concept van een Deltametropool is dat dit de mogelijkheid biedt om in één keer over zeven miljoen inwoners te praten, in plaats van de maximaal 900.000 van Amsterdam, of de maximaal 600.000 van Rotterdam. Dit is vooral vanuit economisch perspectief interessant; een grotere markt trekt grotere bedrijven. Het gaat hierbij natuurlijk ook om het versterken van de internationale concurrentiepositie. In het seminar over economie werd benadrukt dat de Deltametropool internationaal nu al scoort met het 'creatieve' bedrijfsleven, zoals ICT en de ruime aanwezigheid van kunst en cultuur. Daarentegen blijkt ook dat wat betreft ruimtelijke kwaliteit en bereikbaarheid in vergelijking met concurrerende steden als Parijs en Londen er nog veel te winnen valt. Met name dit laatste is interessant voor ontwerpers. Ineens ontstaat er een extra reden om bijzondere woon-, werk- en verblijfmilieus te realiseren: dit draagt bij aan de internationale concurrentiepositie van de Deltametropool. Willen we de hoger opgeleide werknemers uit binnen- en buitenland binden dan moeten ze ook wel aantrekkelijk kunnen wonen, in de nabijheid van interessante plekken om bijvoorbeeld uit te gaan. Dat betekent onder meer, net als in Londen of Parijs, bijzondere woonvormen die nergens anders zijn te vinden. Om Amsterdam hoeven we ons geen zorgen te maken, dat is immers al ontdekt door het internationale bedrijfsleven dat zich vestigt op de Zuidas. Het is vanuit deze optiek ook heel slim dat de stad het nieuwe Stedelijk Museum hier wil realiseren. Maar bijzondere woonmilieus buiten de grote steden, zoals drijvende woningen in laagliggende polders of nieuwe stadjes langs de rivieren die ook nog op een efficiënte manier verbonden zijn met de historische binnensteden, dat wordt nog nergens vertoond.

De wens om de internationale concurrentiepositie te verbeteren lijkt dus een argument voor het investeren in de ruimtelijke kwaliteit en in bijzondere woonmilieus. Dit is nog wel iets anders dan de 'gouden greep', waarnaar het ontwerpatelier op zoek is. We wachten af wat december ons in dit opzicht zal brengen!