Recensie —

DOEN! in Hoogvliet

Frido van Nieuwamerongen

Het was WiMBY!week in Hoogvliet, met veel feestelijke activiteiten voor de bewoners. De vakwereld kwam ouderwets bijeen in een klein zaaltje om onder voorzitterschap van Felix Rottenberg te discussiĆ«ren over de toekomst van suburbia. Eigenlijk was een debat misplaatst, want het verlangen naar ‘doen’ in plaats van ‘praten’ was voelbaar. Doen! is de trend, kleinschalig is definitief terug, zelfs het begrip kneuterig is niet langer taboe.

De WiMBY!week staat stil bij de resultaten van de Internationale BouwTentoonstelling (IBT) in Hoogvliet. Deze IBT heeft in korte tijd een drastische ommezwaai gemaakt. De hoogdravende ambities met een droomteam aan gerenommeerde architecten zijn ingeruild voor kleinschalige acties. Ed Taverne (architectuurhistoricus Universiteit Groningen) plaatste deze ommezwaai in een trend die ook in andere Europese steden waarneembaar is, zoals in Brussel waar de groep City Mine(d) kleinschalige projecten opzet die vooral gericht zijn op het ervaren. Een van de projecten was die van theatermaker Benjamin Verdonck die in een vergeten stadsdeel een tijdelijk huis, een soort kruising tussen een boomhut en een vuurtoren, bouwde en daar tien dagen woonde. Met activiteiten en rituelen zoals het dagelijks buurtontbijt op het plein, wilde hij deze ontheemde plek bezielen.

Wat het werk van organisaties als City Mine(d) kenmerkt is de nadruk op het doen: geen papieren plannen, geen geouwehoer maar gewoon aanpakken, in heldere taal, met een losse organisatie en vooral veel aandacht voor het dagelijkse leven van de burgers.

Voor Adriaan Geuze (West 8) zijn deze acties uit het hart gegrepen. Moe geworden van tien jaar geprietpraat over VINEX-wijken zonder dat dit enig resultaat oplevert, een trauma voor een hele generatie architecten zoals hij zegt, steunt hij elke directe actie. Geuze waarschuwde echter voor een eenzijdige fixatie op Hoogvliet. Want door steeds een wijk aan te pakken blijven we achter de feiten aanlopen. In wijken als Zevenkamp, gebouwd in de jaren zeventig, zie je nu al problemen ontstaan als drugverslaving en wegtrekkende bevolkingsgroepen; tekens van een neerwaartse spiraal. Over vijf jaar zijn dit de probleemwijken, en over vijftien jaar zijn de Vinex-wijken aan de beurt. Oplappen ziet hij niet als duurzame stedenbouw, hij pleit voor een duurzamere aanpak en die begint bij de stad.

WiMBY! heeft met zijn kleinschalige aanpak op tijd de bakens weten te verzetten. Het is flauw deze ommezwaai af te doen als goedkoop populisme en het daarmee in de hoek te duwen van de leefbaarpolitiek zoals Bart Lootsma in ARCH+ van oktober 2002 deed. Het is eerder een reactie op het door sommigen ervaren traumatische 'lullen-zonder-resultaat' uit het voorgaande decennium. WiMBY! slaagt er in ieder geval in de bewoners met activiteiten als de WiMBY!week te bereiken.

Het is een juiste constatering van de organisatie dat de sociale structuur van een wijk bekeken vanuit het bewonersstandpunt veel belangrijker is dan de stedelijke structuur: de school, de vereniging, de voorzieningen daar gebeurt het. De stedelijke structuur en de bijzondere objecten – Maarten Kloos opperde om het rampzalige metrostation om te toveren tot een nationale attractie – zijn echter bepalend voor de identiteit, en niet alleen belangrijk voor het wij-gevoel maar vooral voor het beeld van de buitenwacht. Identiteit is allesbepalend tegenwoordig, en dat geldt ook voor wijken. De verschuiving naar een fijnmazige aanpak heeft wel het zicht op de grote visie vervaagd, zo vond ook de zaal. Het is juist het evenwicht tussen behoedzaam ingrijpen in de sociale structuur en radicaal aanpakken in de identiteitsstructuur dat zal het succes van IBT Hoogvliet bepalen: The seventies meets the eighties.