Feature —

Sprawl in Europa

Lotte Haagsma

Sprawl wordt meestal geassocieerd met wanorde en eenvormigheid. Maar volgens Xaveer de Geyter is sprawl ook specifiek. Op 12 december gaf Xaveer de Geyter een lezing met de titel ‘After-Sprawl’, op de Academie van Bouwkunst in Amsterdam.

Met zijn bureau De Geyter Architecten deed Xaveer de Geyter onderzoek naar de ontwikkeling van de driehoek Brussel, Antwerpen en Gent. Zij vergeleken dit gebied in Vlaanderen met vier andere dichtbevolkte West-Europese gebieden waar het fenomeen sprawl zich voordoet: de Randstad in Nederland, het Ruhrgebied in Duitsland, Zürich-Basel in Zwitserland en Veneto in Italië.

De Geyter wil aantonen dat sprawl in Europa iets anders is dan sprawl in Amerika, daar waar het fenomeen voor het eerst aandacht kreeg. Anders dan in Amerika heeft het in Europa een complexe structuur waarin historische lagen een belangrijke rol spelen.

De Geyter onderzocht met gebruik van kaartmateriaal wat het karakter van de sprawl in de gekozen onderzoeksgebieden is. In deze kaarten werden verschillende lagen onderscheiden: infrastructuur, bebouwd gebied, onbebouwd gebied, landbouwgrond, natuur en water.

De verschillen tussen de gebieden zijn groot. In Londen bevindt zich evenveel ‘natuur’ binnen als buiten de stad, terwijl de bebouwing heel centraal, rond het centrum, gericht is. In de Randstad bevinden zich nog relatief grote onbebouwde gebieden. De infrastructuur in het Ruhrgebied dient vooral de regio en is niet zozeer gericht op de verschillende steden. De verspreiding van de bebouwing in het Zwitserse gebied wordt vooral bepaald door de topografie.

In het bestaande structuurplan voor Vlaanderen blijft men praten over een verschil tussen stad en landschap, terwijl dat landschap verstedelijkt is en niet meer zoveel verschilt van de stad. In de stad Brussel bevinden zich net zo goed grote openbare groene ruimtes als in het gebied tussen Antwerpen, Gent en Brussel.

In Nederland is het verschil tussen de stad en het groene buitengebied duidelijker afgebakend. Volgens De Geyter iets dat de Nederlanders zouden moeten koesteren in plaats van het in snel tempo op te souperen.

De Geyter pleit voor het organiseren van de onbebouwde gebieden, om van daaruit het bebouwde gebied te bepalen. Hij voegt nieuwe lagen van verschillende orde en karakter aan het bestaande toe.

Zo stelt hij voor een nieuwe landschapslaag over het bestaande gebied (driehoek Antwerpen, Brussel en Gent) te leggen dat de bestaande infrastructuur en bebouwing in eerste instantie laat bestaan maar uiteindelijk wel kan beïnvloeden.

Er komt een landschapslaag in rastervorm over het gebied en het idee is dat nieuwe ontwikkelingen deze vorm gaan volgen. Er ontstaat een soort weefwerk van bestaand en nieuw landschap, waardoor fricties en contrasten ontstaan.

In plaats van het bestaande te behouden en versterken wordt het nieuwe gestimuleerd. De Geyter liet kort een door hem geliefd plan zien voor een dorp dat dreigt leeg te lopen omdat haar inwoners massaal een vrijstaand huis buiten het dorp laten bouwen. In het bestaande structuurplan was het de bedoeling om het dorp weer nieuw leven in te blazen en het buiten wonen te beperken. De Geyter gaat hier tegenin: hij laat het dorp verder uitsterven en legt een parkachtige landschapslaag over het gebied waardoor de vrijstaande huizen, omringt door een soort ‘hoven’ van heggen en bomen, in een uitgestrekt stedelijk park komen te liggen. Door dit park snijdt de bestaande infrastructuur zijn voegen.

De nieuwe ‘landschapslagen’ van De Geyter vormen op bepaalde plekken randen die de stad afbakenen en beletten zich verder uit te breiden maar bieden op andere plaatsen ruimte om bebouwing te verdichten. Contrasten moeten van De Geyter groter worden: confrontaties van natuur, stad en infrastructuur, afwisselend en direct naast elkaar, waardoor een nieuw soort stedelijk landschap ontstaat: Urban landscape, City scape. Strak ontwerpen en laat maar waaien naast en over elkaar.