Recensie —

Bouwen met het aardoppervlak

Allard Jolles

Allard Jolles las het nieuwste boek van Aaron Betsky en raakte enthousiast: ‘Respect the land’ en hoe architectuur natuur kan verduidelijken.

Aaron Betsky, de voortvarend opererende directeur van het Nederlands Architectuurinstituut, heeft – na ontelbare gastoptredens in andermans boeken – eindelijk weer eens zelf een boek gemaakt. Dit keer is het een thematisch ingericht exposé geworden over ‘landscrapers’, waar we zonder enige twijfel de Nederlandse vertaling ‘landkrabbers’ aan mogen koppelen. De auteur had zich er makkelijk vanaf kunnen maken door slechts een fotografische optocht van 56 recente grondgebonden architectuurprojecten te presenteren, maar Betsky heeft er een degelijke studie van gemaakt, compleet met uitgebreid register, projectdocumentatie en notenapparaat. Daarbij: naast een klein aantal voorspelbare voorbeelden zitten er tussen die 56 gelukkig vele onbekendere projecten.

Respect

Betsky blijkt een goede woordvoerder van dit soort architectuur. In de inleiding vertelt hij dat het besef dat bouwen een ingreep is waarmee iets bestaands wordt vernietigd (dat is altijd zo, en meestal het onbebouwde maaiveld), veel te weinig expliciet wordt gemaakt. Terwijl juist landkrabbers dat zo goed zouden kunnen: ‘de aarde openen om architectuurvormen te creëren’, valt ergens te lezen. Dat zou inderdaad, met het Nederlandse beleid van dubbel grondgebruik in het achterhoofd, wel eens een oplossing kunnen zijn om meer te doen met minder aardoppervlak, en dat is vervolgens wel zo duurzaam. De hoogte in, én de diepte in. En waarom niet? Als er toch door te bouwen vrije ruimte wordt onttrokken aan het aardoppervlak, haal dan tenminste het onderste uit de kan. Betsky is op zoek naar een soort helderheid, die hij ook terugvindt in het Nederlandse landschap. Dit landschap is namelijk kunstmatig, en laat daar ook geen twijfel over bestaan, met zijn uiterlijk van dijken, polders en sloten. Landschapsarchitectuur is sowieso belangrijk, omdat het zich op het snijvlak van het geologische, het geografische en het menselijke bevindt, en daardoor de mens bewust maakt wìe hij is, door te verduidelijken wààr hij is. Deze stijl van ontwerpen biedt ons vervolgens een nieuwe onderlegger, waarop wij nieuwe ingrepen kunnen doen. En voor de lezer is het ondanks de dramatische verteltrant van Betsky zonneklaar dat ‘land’, in de optiek van Betsky, meer is dan bouwgrond waar je heipalen in ramt. ‘Respect the land’, dus.

‘Roden Crater’ van James Turell

Grot

Het hoofdstuk ‘Caves And Caverns’, grotten en kelders, begint met een plaatje uit de Carceri-serie van 18de eeuwer Piranesi, zoals alle hoofdstukken een degelijke historische onderbouwing hebben. Betsky voert Piranesi op om te laten zien dat het ondergrondse, dat beangstigend kan zijn maar altijd aanwezig is in gebouwen, wel degelijk interessante architectuur kan zijn, ‘that might rival the Baroque churches then rising above ground’. Het ondergrondse als spectaculaire ontwerpopgave. Misschien voor sommige architecten een ondankbare taak, want de schepping is niet zichtbaar vanaf de straat en architecten willen niets liever dan gezien worden. Toch is het belangrijk er veel aandacht aan te besteden. Een goed ontworpen parkeergarage functioneert nu eenmaal beter als zij niet is ontworpen als kuil met parkeerplekken, maar als belangrijk logistiek onderdeel van het geheel. En of dat nu onderwereld (afgekeurd in Almere, vanwege associaties met de nederdaling ter helle) of benedenwereld (inderdaad, veel gezelliger…) heet, is alleen maar interessant voor reclamejongens. Voor Betsky telt: juist de krochten van de stad verdienen een toparchitect.

Natuur

Betsky breekt met dit aangename boek tevens een lans voor verantwoord omgaan met de aarde, zonder dat het nu een manifest voor milieuvriendelijk bouwen of duurzame stedenbouw is geworden. In het laatste hoofdstuk, ‘A New Nature’, staan twee schitterende voorbeelden, waar een architect met minimale fysieke middelen in een voor het oog minimale ingreep een maximaal effect bereikt. De projecten ‘Roden Crater’ van James Turrell en ‘Maryhill Nature Overlook’ van Allied Works Architecture (beide in de VS) laten zien hoe je natuur kan verduidelijken met architectuur. Door subtiel gebruik te maken van het verschil tussen ‘manmade’ en ‘natural’ worden wij ons bewust gemaakt van de bolling van de aarde (Turrell) en het geven van betekenis aan een plek in ‘the middle of nowhere’ (Allied Works). Deze projecten maken ons bewust van ons tijdelijke verblijf op aarde door onze eigen nietigheid af te zetten tegen het omringende landschap. Een niet geringe prestatie, en dat met een klein beetje beton. Je zou er bijna het vliegtuig voor pakken. En tot die tijd is dit boek een prima alternatief.