Recensie —

Hedendaagse stedenbouw en landschapsarchitectuur in kaart gebracht

Piet Vollaard

Vrijwel gelijktijdig verschenen onlangs twee overzichtboeken die het ontwerpen op de grotere schaal in Nederland in kaart hebben gebracht Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur van de 20ste eeuw en het jaarboek landschapsarchitectuur en Stedenbouw in Nederland 99-01.

Skatepark Westblaak Rotterdam, Dirk van Peijpe dS+V, RO centrum, gemeente Rotterdam.

Gewapend met de basiskennis opgedaan in Gerritjan Deunks boek kan vervolgens het Jaarboek landschapsarchitectuur en Stedenbouw in Nederland 99-01 van uitgeverij Thoth (Harry Harsema, hoofdredacteur) ter hand worden genomen. Ook de formule van dit tweejaarlijkse overzicht, dat dit jaar voor de vierde maal verschijnt, volgt een standaard. Een stevige inleiding (dit keer René Boomkens over noodzaak van overheidsbetrokkenheid waar het gaat over de openbare ruimte), een aantal teksten die actuele thema's van de verschillende schalen en disciplines bespreken (stedelijke reconstructie, parken en tuinen, infrastructuur en bedrijfsterrein tot en met regionale plannen en grootschalige landinrichtsplannen) en een veertigtal voorbeeldplannen, min of meer het beste of meest interessante van de afgelopen twee jaar. Alleen daarom al mag het boek natuurlijk niet in de boekenkast van vakgenoten, opdrachtgevers en belangstellenden ontbreken.

Het probleem met een dergelijk actueel overzicht is – vergeleken met een overzicht van gerealiseerde architectuur – dat met name de grootschaligere plannen, inderdaad plannen zijn en niet gerealiseerde, opgeleverde, in de praktijk te controleren en te toetsen projecten. Tuinen en parken en een paar inrichtingsplannen van openbare ruimten uitgezonderd, staat het boek dan ook vol met plankaarten, schetsen, en computertekeningen en ontbreken de foto's van gerealiseerde werken. Het jaarboek is dus eigenlijk meer een overzicht van ambities dan van realisaties, soms zelfs van ambities waarvan het bij voorbaat zeker is dat ze nooit werkelijkheid zullen worden, zoals het masterplan voor het Rotterdamse stationsgebied van Alsop en DSV Rotterdam. In een bescheiden laatste hoofdstuk bezoekt Anneke Nauta geselecteerde, en inmiddels gerealiseerde, projecten uit het jaarboek 93/95. Het is begrijpelijk dat de redactie die toch ook het actuele debat wil volgen veel nog niet gerealiseerde plannen selecteert. Het lijkt me echter zinvol om de reflectie achteraf in het volgende jaarboek veel meer ruimte te geven, zeker als de redactie zich wat kritischer zou willen opstellen ten opzicht van de productie. Ten eerste zou daarmee ruimte worden geschapen voor wat meer fotografie als tegenhanger van de vaak weinig zeggende – en in elk gevallen zelden de realiteit benaderende – computerbeelden. Maar bovendien kan een wat kritischer houding geen kwaad gezien de slotzin van de inleiding: '…uit de meeste plannen in dit boek blijkt dat landschapsarchitecten en stedenbouwkundigen op een vertrouwde manier vooral functioneel en ingenieus blijven denken' Dat klinkt me allemaal wat al te kritiekloos en 'wat zijn we met z'n allen toch lekker bezig'.

Doe daar over twee jaar wat aan redactie!

Het valt niet mee om de geschiedenis of de hedendaagse problematiek van stedenbouw en landschapsarchitectuur op een enigszins vrolijke en publieksvriendelijke manier voor het voetlicht te brengen. Het gaat vaak om projecten die een langdurig ontwikkelingstraject kennen, die zich nauwelijks inzichtelijk laten fotograferen en waarbij – vooral bij de grotere landinrichtingsplannen of stedenbouwkundige plannen – voor een goed inzicht in de problematiek eigenlijk een stevige dosis taaie nota-taal noodzakelijk is. De auteurs en redactieteams van de beide onlangs verschenen overzichtswerken hebben het daarom heel wat moeilijker dan bijvoorbeeld de redactie van het Jaarboek voor Architectuur. Dat ze er – elk op een eigen manier – desondanks in geslaagd zijn om leesbare en ook in visueel opzicht genietbare boeken te maken verdient alvast hulde.

Het overzicht 'Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur van de 20ste eeuw' van Gerritjan Deunk past in een reeksje eerder verschenen boeken bij NAi Uitgevers, respectievelijk over de Nederlandse stedenbouw en de Nederlandse architectuur van de 20ste eeuw (beide van Hans Ibelings). Ook in dit geval wordt de geschiedenis van de tuin- en landschapsarchitectuur in korte hoofdstukken, die elk een decennium beslaan, verteld en voorzien van een paar exemplarische of beroemde voorbeelden. Het is een opzet die noodzakelijk generaliserend is, maar dat komt de leesbaarheid wel ten goede. Het boek is duidelijk bedoeld als introductie en leest 'lekker weg'. Ook de voorbeelden zijn goed geïllustreerd, wat best een pluim waard is want het vinden van oorspronkelijke tekeningen en foto's van tuinen en landschappen is vaak problematisch. Alles bekende stromingen, schalen en namen komen aan bod en worden in een losse, bijna converserende toon aan de orde gebracht, alsof oom Gerritjan ons wandelend door Nederland zo links en rechts wijst op bijzonder tuinen en landschappen. De auteur was op zoek naar een vorm van 'geschreven edu-tainment' en is daar redelijk in geslaagd. Een aardige vondst is bijvoorbeeld het feit dat elk decennium afgesloten wordt met een kleine blik in de verschillende kwekerijcatalogi van Moerheim, om een indruk te gegeven van de ontwikkeling van het aanbod en van de klant- en productbenadering. Alles bij elkaar een mooie inleiding tot de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur.