Feature —

Kalkins keurige absurditeiten

Sebas Veldhuisen

Afgelopen week bezocht de Amerikaanse architect-kunstenaar Adam Kalkin het Haagse Debatterij. Op uitnodiging van STROOM bladerde hij met een volle zaal door zijn nieuwe boek ‘Architecture and Hygiene’, dertig projecten in een vogelvlucht, van containerhuizen tot plug-in bommen. Een verslag van Sebas Veldhuisen.

Adam Kalkin: doorsnee Amerikaans staatsburger, jeans, overhemd, zware wenkbrauwen, detective-accent, his best Dutch friend (Berend Strik) aan zijn linkerzijde. Bagage: een laptop en een rugzakje met elf exemplaren van zijn nieuwe boek (inclusief één op PDF-formaat). Hij neemt plaats achter de beamer in het gangpad tussen het publiek.

De introductie van zijn boek Architecture and hygiene is een citaat van William James uit Selected Letters: 'Once something is said (made expliciet) it emerges from the shadows of the unseen into the realm of the possible. Therefore, we must be careful of what we say. Even when we just think something, the entire world of potentialities re-arranges itself.' Hij voegt gedurende de lezing, misschien hierom, weinig enthousiaste woorden toe aan de getoonde projecten.

Het eerste project uit het boek betreft zijn eigen woonhuis. Het is een klassieke Amerikaanse 'cottage' waarvan Kalkin één vleugel heeft geamputeerd. Vervolgens is om het resterende deel een vliegtuighangar geplaatst met meer dan het dubbele volume. In de Verenigde Staten zijn de bepalingen voor bouwvolumen blijkbaar minder streng dan in Nederland. Kalkin geeft aan niet geïnteresseerd te zijn in vormgeving. Liever voegt hij nieuwe structuren toe aan het bestaande om zo onverwachte ontmoetingen tussen bouwdelen en ruimten te bewerkstelligen. Zo stelt hij voor de onderbenutte constructie van hoogspanningsmasten in te zetten voor woningbouw. Hier begint een overeenkomst duidelijk te worden met Luc Deleu die ook hoogspanningsmasten nieuwe bestemmingen wilde geven. En evenals deze Belgische anarchitect ziet ook Kalkin potentie in de grote hoeveelheden zeecontainers die werkloos in onze overslaghavens liggen te wachten op een nieuwe bestemming. Waar Deleu ze inzet als symbolen van de consumptie maatschappij in een nieuwe monumentale vorm, een brug, een triomfboog, wil Kalkin de zeecontainers gebruiken voor goedkope woningen. Geïnspireerd door de pogingen van Buckminster Fuller om woningen zoals vliegtuigen en auto's industrieel te produceren stelt hij het $ 99K house voor, een doorsnee zeecontainerwoonhuis voor nog geen 100.000 dollar.

Waar zijn gebouwen, en de computersimulaties van gebouwontwerpen, een sfeer uitstralen van keurigheid en perfectie zijn de schetsjes die hij maakt wollig en absurd. Hier komt ook de grote dualiteit van Kalkin en misschien van elke architect-kunstenaar naar boven. Zodra gedachten worden omgezet in gebouw, wanneer het vrije creatieve denken opzij wordt geschoven door regelgeving en de wetten van klimaat en zwaartekracht, gaat er veel verloren van de intentie. Misschien is dat de reden dat hij zich ook als kunstenaar en performer ontpopt. Zo is op zijn website een animatie te zien van de 'dog lifter' (het behoeft geen uitleg) en stelt hij plug-in bombs voor (zelf in het stopcontact te steken). Met deze absurde projecten krijg je de indruk dat er achter zijn beeldende kunst grote filosofische vraagstukken schuil gaan. Hij wijdt hier echter nauwelijks een woord aan terwijl het boek ook geen opheldering geeft. Zo blijft zijn bedoeling een vraagstuk. Een citaat van zichzelf geeft misschien uitleg: 'Waarom houdt architectuur zich uitsluitend bezig met het waarschijnlijke, terwijl zij zich met het onwaarschijnlijke bezig kan houden?'